student institute of peace- and security issues
student institute of peace- and security issues
Door Leon Wecke - Praten is een essentiële bezigheid van de mens. We kunnen onze gedachten in klanken omzetten en wel zodanig dat we ze aan medemensen kunnen meedelen. Natuurlijk zijn er dan verschillende interpretaties mogelijk, afhankelijk van de inhoud van andermans brein. In het geval van dronkenmanspraat is er aan dat praten geen touw vast te knopen, maar soms kunnen woorden niet mis te verstaan zijn, zeker als de spreker met bepaalde handelingen die woorden ook nog kracht bij zet.
Praten is pas zinvol als de ander ook luistert. Praten zonder luisterend oor van een ander is niet mogelijk. Voor praten moeten er minstens twee zijn.
Praten met de vijand werd en wordt vaak vermeden. Het luisterend oor ontbreekt. De vijand, feitelijk slecht of als zodanig afgeschilderd, wordt niet vatbaar geacht voor als redelijk gepresenteerde argumenten. Het is dan ook veelal pas wanneer duidelijk is dat een van de conflicterende partijen aan het kortste eind trekt, zeg: aan het verliezen is, dat de bereidheid tot luisteren zich aandient.
Maar ook hier zijn grenzen. ‘Beschaafde’ landen willen nog wel eens als stelregel hanteren dat men niet met de vijand praat, en zeker niet met terroristen. Een nogal merkwaardige stelregel. In het verleden is immers veelvuldig en in bijna alle gevallen met de verfoeilijke, misdadige vijand gepraat om tot een uiteindelijke regeling en oplossing van het conflict te komen. Daarbij gold dat een of beide partijen tot het inzicht gekomen waren dat vrede meer in het eigen belang is dan vechten. Zo moesten de Fransen een voor hen hopeloze guerrillaoorlog in Algerije beëindigen door te praten met de terroristen om tot overeenstemming te komen. Ook voor de Verenigde Staten gold dat zij uiteindelijk met de ‘terroristen’ van de Vietcong, zij het in eerste instantie via een bemiddelaar, tot zaken en tot vrede moesten komen. Ook Nederland heeft haar laatste koloniale onderdrukkingsoorlog moeten beëindigen door een akkoord met de terroristen van voorheen te sluiten.
Maar op dit moment staan Westerse staten op het standpunt dat met Hamas, een organisatie die op de internationale terroristenlijst staat, niet te onderhandelen. Hoewel volgens Westerse standaarden democratisch aan de macht gekomen, mag er, onder druk van Israel en de Verenigde Staten, niet met Hamas gepraat worden. Minister Verhagen heeft dat onlangs nog eens bevestigd: “Met terroristen praten we niet”.
Maar wat zijn terroristen? Wat is terrorisme? In mijn college over terrorisme begin ik wel eens met een teleurstelling voor het gehoor. Ik deel mee een teleurstelling in petto te hebben met de mededeling dat terrorisme niet bestaat. Hieraan voeg ik dan wel toe, dit ter geruststelling van een ieder die zijn brood met anti-terrreurmaatregelen belegt, dat er wél terroristen zijn, maar de moeilijkheid is wie voor dat beroep in aanmerking te brengen. De een zijn terrorist is immers de ander zijn vrijheidsstrijder en daarbij komt nog dat staten, zowel gezien hun verleden, maar ook heden in bepaalde gevallen evenzeer als ‘terrorist’ kunnen worden aangemerkt. Een definitie van een terrorist kan luiden: ‘iemand die door middel van geweld of het dreigen met geweld ten aanzien van onschuldigen en schuldiggeachten bepaalde doelen poogt te verwezenlijken’. Nu zijn er een tweehonderdtal definities van terrorisme in omloop: iedere regering, ministerie, inlichtingendienst en politieke organisatie heeft zijn eigen definitie. De helft van de wetenschappelijke auteurs op het gebied van terrorisme durft het betreffend verschijnsel niet te definiëren. Een universele definitie ontbreekt nog steeds.
En dat is geen wonder, omdat individuen en staten volgens diverse definities voor het predikaat terrorist in aanmerking komen. De grootste terrorist van Nederland was indertijd Willem van Oranje, die met moordende geuzenbenden effectief het Spaans gezag wist te ondermijnen. En Soekarno was een terrorist, die we in een kamp opsloten en die vervolgens een bevriend staatshoofd werd, dat we niet straffeloos mochten beledigen. En wat te denken van Mandela, Begin en Arafat, alle drie Nobelprijswinnaars voor de vrede en volgens velen geen onverdienstelijk terroristen in hun vroegere jaren. Misschien is de beste definitie van een terrorist: iemand die door een regering terrorist genoemd wordt. Met terroristen moet en kan in veel gevallen onderhandeld worden; niet alleen met Hamas, maar ook met de Taliban. Natuurlijk is het probleem dat dé Taliban niet bestaat, maar er verschillende groeperingen zijn. In elk geval moet een onderscheid tussen Pakistaanse en Afghaanse Taliban gemaakt worden. De eerste is ideologisch meer gemotiveerd en de ander vooral door frustratie over zijn of haar situatie.
Praten moet en kan als een of beide partijen tot de overtuiging zijn gekomen dat ze de overwinning wel kunnen vergeten. Maar een moeilijkheid is wel dat de verschillende strategieën en culturen impliceren dat men de strijdmiddelen niet goed kan vergelijken. Als de een in termen van onmiddellijk effect handelt en de ander de tijd van zijn leven en dat van de volgende generatie heeft, zal praten niet gemakkelijk zijn. Een eerste voorwaarde is in de huid van de ander te kruipen. Naar waarheid zijn intenties en gedrag te duiden en van daaruit is een analyse te maken van de gestelde eisen door de tegenstander. Er zullen onwerkelijke eisen zijn, zoals een wereld geschapen naar hun voorkeur, maar ook reële politieke wensen, die te maken hebben met bijvoorbeeld het Midden-Oostenconflict, het beëindigen van een bezetting, het verlenen van economische steun. Praten met Hamas, praten met deTaliban, en dat met het doel tot een regeling en uiteindelijk een oplossing te komen, is een volstrekt redelijke weg, die door tot praten in staat zijnde wezens bewandeld dient te worden. Niet willen praten duidt op een autistische beeldvorming, een verkrampte stellingname, in feite een gebrek aan inzicht in de eigen menselijke vermogens om, anders dan met geweld, conflicten in de wereld op te lossen.