student institute of peace- and security issues
student institute of peace- and security issues
Door Mariska de Gooijer - Recente oorlogen, met name de oorlog in Irak, hebben vragen opgeroepen over wettelijke en morele rechtvaardigheid. Stel dat een oorlog onrechtvaardig is, wat betekent dit dan voor de soldaten die er in vechten? Zijn zij mede schuldig aan de uitvoer van onrechtvaardigheid?
Just War Theory (JWT) wordt gebruikt om oorlogen te beoordelen op (on)rechtvaardigheid. De criteria zijn traditioneel verdeeld in twee groepen: (1) jus ad bellum, waarmee de redenen om oorlog te voeren beoordeeld kunnen worden, en (2) jus in bello, waarmee de inzet van middelen tijdens de oorlog beoordeeld kan worden.
Dat soldaten individueel verantwoordelijk zijn voor schendingen van in bello criteria is al lang en breed geaccepteerd. Iedere individuele soldaat dient te vechten volgens de criteria van ‘proportionaliteit’ en ‘discriminatie’ (onderscheid tussen legitieme en illegitieme doelen) en kan zich bij overtreding daarvan, wettelijk en moreel gezien, niet beroepen op het feit dat hij ‘slechts orders opvolgde’. In het geval van het schenden van (een van de) ad bellum criteria, ‘rechtvaardig doel’, ‘legitieme autoriteit’, ‘juiste intenties’, ‘kans op succes’, ‘proportionaliteit’ en ‘laatste middel’, zijn de meningen echter sterk verdeeld. Wettelijk gezien is een individuele soldaat niet verantwoordelijk voor de oorlog waarin hij vecht, zelfs niet wanneer deze oorlog als onrechtvaardig moet worden beschouwd. Maar hoe zit dit moreel gezien?
Crimineel?
In theorie heeft iedereen in beginsel het recht om niet aangevallen te worden. Wanneer soldaten vechten voor de rechtvaardige partij hebben zij moreel gezien niets verkeerd gedaan. Hierdoor zou je kunnen stellen dat de onrechtvaardige partij onschuldige tegenstanders vermoord. Zij kunnen zich niet beroepen op zelfverdediging wanneer zij aangevallen worden door de gerechtvaardigde partij, net zoals een bankovervaller dat niet kan wanneer hij tijdens zijn overval een bewapende bewaker neer schiet, omdat zij zelf de eerste ongerechtvaardigde aanval uitvoerden. Soldaten zouden dan, om te voorkomen dat zij ongerechtvaardigd onschuldige tegenstanders aanvallen, dienst moeten weigeren totdat zij zeker hebben gesteld dat de oorlog voor hun partij rechtvaardig is.
Deze analogie van criminaliteit wordt echter door tegenstanders verworpen omdat zij stellen dat de oorlogssituatie wezenlijk verschilt van criminaliteit: soldaten handelen niet enkel voor hun eigen voordelen, maar uit naam van een legale politieke autoriteit en maken deel uit van de militaire professie waardoor zij andere rechten en plichten hebben dan ‘gewone’ burgers.
Professionele waarden?
Een professie behoort een belangrijk moreel goed na te streven om de mogelijkheid te hebben handelingen uit te voeren die anders moreel onjuist zouden zijn. Zo hebben artsen en advocaten een gelegitimeerde geheimhoudingsplicht, wat negatief kan uitpakken voor een strafzaak, omdat zij het belangrijke morele goed van geneeskunde respectievelijk recht dienen. Gebruik van geweld door het leger zou daarom gebaseerd moeten zijn op internationaal recht en JWT om te voorkomen dat het leger gelijk staat aan een club huurmoordenaars. Een ander wezenlijk onderdeel van de militaire professie is echter dat er waarde wordt gehecht aan de eed waarin de soldaat zweert trouw te zijn aan het politiek gezag en hen te gehoorzamen inzake ad bellum beslissingen. Dienst weigeren kan een breuk betekenen met de eed, de militaire professie en verraad van nationaal vertrouwen vormen. Welk principe weegt nu zwaarder? Soldaten zweren om te vechten in oorlogen die ‘formally just’ zijn waardoor wederom het voorafgaande legale politieke besluitvormingsproces het verschil lijkt te maken. Hoe zit het met deze verhouding tussen militairen en de staat?
Heilige scheiding van politiek-militaire plichten?
De meest rigide vorm van een strikte morele scheiding tussen politici en militairen stelt dat iedere soldaat een loyale en gehoorzame ambtenaar is en geen beleidsmaker. Dit zou soldaten ten alle tijden en bij het dienen van ieder regime vrij pleiten van morele verantwoordelijkheid voor de oorlog waar ze in vechten. Deze absolute vrijwaring van enige morele plicht lijkt het leger moreel gezien inderdaad gelijk te stellen aan, in de woorden van Wolfendale (2009), een club huurmoordenaars. Veel andere auteurs stellen hierom voorwaarden aan gehoorzaamheid door te stellen dat wanneer het proces dat heeft geleid tot het besluit om oorlog te voeren juist, legaal en eerlijk is, soldaten de plicht hebben te gehoorzamen. Hier komt bij dat het proces bedoeld moet zijn om het moreel juiste besluit te nemen, maar met de mogelijkheid om fouten te maken. Een vergelijking kan gemaakt worden met een gevangenisbewaarder die na een eerlijk proces van hoor en wederhoor, bewijzen, rechters en de normale gang van zaken, niet gerechtigd is om een naar zijn mening onschuldige gevangene vrij te laten. De omstandigheid van een eerlijk proces maakt dat de gevangenisbewaarder verplicht is om het oordeel te volgen en dat we hem niet verantwoordelijk houden voor fouten van de rechter. Voor politieke besluiten is het uiteraard moeilijker om de standaard van een eerlijk proces te bereiken dan voor rechterlijke besluiten, omdat er in het politieke besluitvormingsproces rondom oorlog altijd elementen zijn van manipulatie, misleiding, onbekendheid met relevante feiten, tegenstrijdige belangen, etc. Politieke processen bevatten echter altijd dit soort elementen en hun aanwezigheid ontslaat soldaten niet direct van de plicht te gehoorzamen, tenzij het proces er overduidelijk ernstig onder lijdt en/of er een overduidelijk verkeerde beslissing genomen wordt. De scheiding van politieke besluitvorming en ambtelijke uitvoering wordt verstoord wanneer dienstweigering gemakkelijk zou zijn. Het kan dan gebruikt worden als veto na verlies in debat of als pressiemiddel voor het verkrijgen van meer middelen en deze machtspositie is niet wenselijk in een democratie van meerderheden en debat. Het belang van politiek-militaire scheiding gaat daarom in gevallen van onzekerheid over de onrechtvaardigheid voor.
Sommigen beweren dat het toelaten van ongehoorzaamheid politieke instabiliteit oplevert waarbij wordt gewezen op militaire coups in Latijns-Amerika. De mogelijkheid of plicht dienst te weigeren met een hoge bewijslast is echter nog niet hetzelfde als een militaire coup, maar slechts een juiste beperking van de macht van de staat. Ook wanneer het verhaal omgedraaid wordt, vechten zonder legitiem besluit van de staat, blijft dit principe overeind. Neem het voorbeeld van een zeer duidelijk rechtvaardige zaak, zoals een directe aanval op het eigen grondgebied, waarbij er geen legaal besluit genomen kan worden door een aanval op politici. Het zou moreel onjuist zijn om dan als leger zijnde niet het land te verdedigen enkel omdat er geen legitiem besluit is genomen. Het omslagpunt is bevonden in de zekerheid van de juiste beslissing.
Wanneer de staat legaal en op de juiste wijze een besluit neemt dienen soldaten dus te gehoorzamen, tenzij zij er absoluut zeker van zijn dat het besluit en het proces onjuist zijn.
De vraag rest nu: wanneer kunnen wij ervan uitgaan dat het voor iedere soldaat zeker zou moeten zijn dat een oorlog onrechtvaardig is? Met andere woorden: wanneer kan hen kwalijk genomen worden dat zij niet aan hun dienstweigeringsplicht voldoen?
Van belang voor het beantwoorden van deze vraag zijn de beoordelingscapaciteit van soldaten, de duidelijkheid van de criteria en de beschikbaarheid van juiste informatie.
Beoordelingscapaciteit
Als excuserende omstandigheden zouden kunnen worden genoemd routinematig gedrag van gehoorzaamheid, patriottische vooronderstelling van het gelijk van de eigen zijde en angst voor straffen. Routinematige gehoorzaamheid en patriottisch geloof in de eigen rechtvaardigheid zijn echter onvoldoende om de soldaat te ontslaan van morele afweging omdat simpele ‘liefde voor eigen land’ geen excuus kan zijn wanneer een oorlog zeer duidelijk onrechtvaardig is of de staat in het verleden onrechtvaardige oorlogen heeft gevoerd. Gezien de geschiedenis van onrechtvaardige oorlogen kunnen militairen er niet blindelings op vertrouwen dat hun staat de rechtvaardige zijde vertegenwoordigt. Een recent voorbeeld is de controversiële oorlog in Irak, waarvan onderzoekscommissie Davids onlangs nog aangetoond heeft dat de Nederlandse politieke steun niet voldeed aan de jus ad bellum criteria. Eigen onderzoek is hierbij vereist.
Ook angst voor de gevolgen van weigeren weegt niet op tegen de negatieve gevolgen van een onrechtvaardige oorlog voor de slachtoffers: als soldaten dapper genoeg zijn om te vechten, moeten zij ook dapper genoeg zijn om niet vechten en te leven met mogelijke beschuldigingen van verraad en/of lafheid. Zelfs wanneer een gevangenisstraf zou volgen op de dienstweigering weegt het gebod ‘gij zult niet doden’ zwaarder dan de eigen angst voor gevangenisstraf. Enkel wanneer er ‘draconische’ straffen staan op dienstweigering, zoals marteling of de doodstraf is angst een gerechtvaardigd excuus. De balans verschuift echter bij twijfel: hoe meer onzekerheid over de onrechtvaardigheid, hoe beter de angst om misschien onnodig nadelige kosten voor rekening te nemen kan dienen als excuus.
Andere kritiek is dat deze excuses dan ook kunnen dienen als excuus voor in bello overtredingen aan het front. Deze kritiek mist echter het cruciale aspect van complexiteit van de beslissing: de directe handeling van marteling of het neerschieten van burgers is makkelijker te beoordelen dan de rechtvaardigheid van een gehele oorlog…
Opleiding, vaardigheden en beschikbare informatie
Je zou kunnen stellen dat door hoge opleidingsgemiddelden en een grote hoeveelheid aan beschikbare informatie, iedere soldaat in een liberale democratie in staat zou moeten zijn een oorlog te beoordelen volgens ad bellum criteria. Het valt echter te betwijfelen of van de gemiddelde soldaat verwacht mag worden dat hij vanuit de ongelimiteerde stroom aan tegengestelde meningen en feiten vanuit de media en op het internet ‘de waarheid’, als deze al bestaat, eruit filtert. Een middelbare school of een technische opleiding is niet te vergelijken met krijgs-, sociale- of geesteswetenschappen, waar men zich bezighoudt met dergelijk onderzoek naar de rechtvaardigheid van een oorlog. Hierdoor kunnen we niet aannemen dat iedere soldaat de juiste onderzoeksvaardigheden heeft. Daarnaast betekent de mogelijkheid tot het volgen van opleidingen niet dat van iedereen verwacht mag worden dat hij er ook gebruik van maakt en duikt in de vaak lange, moeilijke teksten van wetenschappers en rapporten. De meeste soldaten zullen daardoor afhankelijk zijn van berichtgeving in de binnenlandse en buitenlandse media en de overheid waarmee zij ad bellum criteria moeten beoordelen. Eerst het criterium van rechtvaardig doel: welk doel is rechtvaardig? Over het algemeen zijn ‘zelfverdediging’ en ‘verdediging van anderen’ als rechtvaardiging relatief makkelijk te beoordelen. Open media verspreidden veelvuldig beelden van de aanval op de Twin Towers en de etnische zuivering in Joegoslavië. Maar twee andere mogelijke gronden, ‘preventie van een zeer nabije aanval’ en in nog veel grotere mate ‘preventie van een toekomstige aanval’ (zoals werd aangevoerd als rechtvaardiging voor de oorlog in Irak), geven meer ruimte voor eigen interpretatie. Vervolgens moet beoordeeld worden wie de aanvaller eigenlijk is: wie zat(en) er precies achter de aanslagen van 9/11 en waar bevinden deze personen zich? Dan komt de vraag naar proportionaliteit aan de orde, waarbij beoordeling afhangt van de kans op succes, of er niet meer leed veroorzaakt wordt dan het probeert te voorkomen, en van de kans op stabiele vrede. Dit zijn aspecten die bijvoorbeeld veel worden genoemd in de discussie over de Nederlandse missie in Uruzgan en waar, mede gezien de val van een kabinet hierover, grote meningsverschillen over kunnen bestaan. Daarnaast spelen er vragen rondom legitieme autoriteit en de juiste intenties. Al deze zaken zijn enorm lastig te beoordelen in de context van manipulatie van pers en publieke opinie rondom oorlog. Overheden maken gebruik van propagandatechnieken om mensen te overtuigen van het eigen gelijk (Groot-Brittannië en de Verenigde Staten beweerden bijvoorbeeld keihard dat er massavernietigingswapens zouden zijn in Irak), bepaalde (strategische) zaken zijn geheim, de pers is niet altijd even kritisch en objectief, en objectieve berichtgeving vanuit oorlogsgebieden is vaak niet mogelijk wanneer journalisten afhankelijk zijn van bescherming van het leger. Voor de meeste burgers en soldaten is er dus geen toegang tot de geopolitieke en strategische kennis die nodig is om een oorlog te beoordelen op ad bellum criteria. Daarnaast kan er soms (on)rechtvaardigheid aan beide partijen in conflict worden gevonden waardoor er niet duidelijk schuldigen en onschuldigen kunnen worden aangewezen. Zelfs met volledige toegang tot alle informatie kan dit lastig zijn.
De moeilijkheden bij het beoordelen van de criteria en het gebrek aan objectieve informatie en wetenschappelijke opleiding zorgen ervoor dat het, zelfs in een zeer controversiële oorlog als Irak, niet gepast is de individuele soldaat moreel verantwoordelijk te houden voor participatie in een oorlog van de staat. De oorlog in Irak is door velen bestempeld als onrechtvaardig, maar de propaganda van de Amerikaanse overheid werkte in ieder geval dermate goed dat bij aanvang van de oorlog tweederde van de burgers de beslissing om oorlog te voeren steunde, ook onder de internetgebruikers.
Nu achteraf blijkt dat er helemaal geen massavernietigingswapens waren en ook het rapport van Davids bevestigd dat de oorlog niet voldeed aan jus ad bellum criteria, wordt steeds meer ‘algemeen bekend’ dat de oorlog als onrechtvaardig moet worden beschouwd waardoor de plicht voor soldaten om te weigeren zwaarder wordt. Maar nu dient het volgende dilemma zich aan: in wat voor een staat blijft het land achter bij vertrek van de bezettende macht? Is het leed dat veroorzaakt wordt met vertrek groter dan met blijven? Kan het land zichzelf opbouwen of vervalt het in burgeroorlog? Politici zijn het niet eens, wetenschappers zijn het niet eens, burgers zijn het niet eens, hoe kan er dan van soldaten geëist worden dat zij het veel beter weten?
Mariska de Gooijer is afgestudeerd op Integrale Veiligheidskunde aan de Hogeschool Utrecht en studeert momenteel Sociale Geografie (Conflict, Territory and Identity) aan de Radboud Universiteit Nijmegen en Bestuurskunde aan de Vrije Universiteit Amsterdam