student institute of peace- and security issues
student institute of peace- and security issues
Door Miranda Geelhoed - Artikel 12 van de grondwet van Costa Rica stelt: “The Army as a permanent institution is abolished. There shall be the necessary police forces for surveillance and the preservation of the public order.
Military forces may only be organized under a continental agreement or for the national defense; in either case, they shall always be subordinate to the civil power: they may not deliberate or make statements or representations individually or collectively.”
Recente geschiedenis
Na de gruwelijkheden van de Tweede Wereldoorlog werden de Verenigde Naties opgericht, met als primair doel het handhaven van de internationale vrede en veiligheid. Ook Costa Rica sloot zich aan bij deze internationale organisatie op 11 november 1945. In 1948 zou de vrede in Costa Rica echter van binnenuit verstoord worden nadat jarenlange spanningen tussen de Nationaal Republikeinse Partij en de Sociaal Democratische oppositiepartij tot een hoogtepunt kwamen bij de verkiezingen van 1948. Deze werden gewonnen door oppositieleider Otilio Ulate, maar onder invloed van de Republikeinse presidentskandidaat Calderón verklaarde de toenmalige republikeinse regering de verkiezing nietig, omdat deze door fraude zou zijn gewonnen. José Figueres Ferrer, een geleerde koffieboer en de oprichter van de Democratische Partij, had zich al eerder fel uitgesproken tegen de Nationaal Republikeinse Partij en vond de nietigverklaring onacceptabel. Figueres achtte militair ingrijpen daarom noodzakelijk en verzamelde zijn strijdkrachten op zijn boerderij ‘La Lucha Sin Fin’. De zittende president Teodoro Picado Michalski maakte het Figueres even moeilijk, maar zag al snel in dat de koffieboer in een betere positie was. De revolutie zag na vierenveertig dagen al zijn einde. Hoewel de revolutie, waarin ongeveer tweeduizend mensen het leven lieten, relatief kleinschalig was gebleken, heeft zij verstrekkende gevolgen gehad voor het land.
Na de revolutie stond Figueres op als hoofd van de junta en voerde hij als voorlopig president een aantal ingrijpende veranderingen door. Op 1 december 1948, enkele dagen voordat de Algemene Vergadering de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens zou aannemen, zou zijn meest revolutionaire hervorming rechtskracht krijgen. Op deze historische dag schafte Figueres het Costaricaanse leger af, en maakte het land daarmee het eerste land ter wereld dat zich van zijn permanente militaire krachten zou ontdoen. In een symbolische ceremonie in het Cuartel Bellavista, de voormalige legerkazerne, sloeg hij een stuk van de muur van de kazerne af met een hamer. Het leger was niet langer. Zijn hervorming zou hij later motiveren met de woorden: “Las victorias militares por si solas valen poco. Lo que sobre ellas se construye es lo que importa”, wat zoveel betekent als ‘De militaire overwinningen zijn op zichzelf van weinig betekenis. Datgene wat zij opbouwen is wat er toe doet’. Terugkijkend op de ontwikkelingen die hebben geleid tot het afschaffen van de krijgsmacht in Costa Rica, is het ironisch te noemen dat een gewapende opstand nodig was voor, en aan de basis lag van, het presidentschap van Figueres en de verwezenlijking van zijn pacifistische idealen.
Doorwerking in het Costa Rica van nu
De overige hervormingen die Figueres tijdens zijn voorlopige presidentschap door wist te voeren, waaronder de invoering van het vrouwenkiesrecht en het kiesrecht voor analfabeten, verschilden in wezen weinig van de hervormingen die de republikeinse presidentskandidaat Calderón ambieerde. Belangrijk was echter dat Figueres de vrijwel volledige en onvolwaardige steun genoot van de Ticos (zoals Costaricanen zichzelf doorgaans noemen). Na de machtsoverdracht van Figueres aan Ulate, zou het afschaffen van het leger een gecodificeerde plek verwerven in artikel 12 van de Costaricaanse Constitutie van 1949. Met enkele aanpassingen in 2003 is deze constitutie nog steeds van kracht. Costa Rica is daarmee het enige land ter wereld dat de ban op het leger in haar Grondwet heeft opgenomen.
Tegenwoordig is Costa Rica een welvarend land; zeker in vergelijking met andere Midden-Amerikaanse staten is te zien dat Costa Rica sterk ontwikkeld is. Zo kan maar liefst 94.9% van de bevolking boven de 15 jaar lezen en schrijven, tegenover 67.5% in buurland Nicaragua. Rond de 5% van het Bruto Nationaal Product wordt uitgegeven aan onderwijs, vergeleken met een magere 2.6% in Guatemala en 3.8% in buurland Panama. Slechts 16% van de Ticos leeft onder de armoedegrens, tegenover meer dan de helft van de bevolking in Honduras. Maar ook Latijns-Amerikaanse grootmachten kunnen in verscheidene opzichten het kleine Costa Rica niet bijbenen. Zo ligt de levensverwachting bij geboorte in Costa Rica op 77.58 jaar, waar men in Brazilië gemiddeld 72 jaar oud wordt. Een andere indicatie van de sterk ontwikkelde gezondheidszorg in Costa Rica is het zuigelingensterftecijfer, dat op 8.77 per 1000 levendgeborenen ligt, vergeleken met 11.44 in Argentinië. Als klap op de vuurpijl komt Costa Rica in een vergelijkende studie van welvaart tussen 104 landen uit op plaats 32, en is het daarmee het hoogst gekwalificeerde land in Latijns-Amerika.
Er lijkt geen twijfel over te bestaan dat Costa Rica het erg goed doet. De vraag is echter in hoeverre dit succes kan worden toegerekend aan het afschaffen van het leger, alsook aan overige hervormingen die voortvloeien uit de revolutie van 1948. De conclusie is al snel getrokken dat de algemene hervormingen van Figueres zeker in grote mate hebben bijgedragen aan de hoge levensstandaard van de gemiddelde Costaricaan. In de eerste helft van de 20e eeuw was Costa Rica in sommige opzichten al op de goede weg, maar ontbrak er nog veel om van een welvarende democratie te spreken. De bevolking was voor het grootste gedeelte analfabeet en vele Ticos leefden onder de armoedegrens. Veel rechten waren beperkt tot bepaalde bevolkingsgroepen; zo kon de negroïde bevolking niet de Costaricaanse nationaliteit krijgen en hadden vrouwen geen stemrecht. Ook leverden de ‘mislukte’ verkiezingen van 1948 het bewijs dat er zo af en toe nogal wat schortte aan de democratische legitimatie van de volksvertegenwoordiging. Het afschaffen van het leger heeft in die zin bijgedragen aan de grote veranderingen in het land. Het geld dat normaal bestemd was voor defensie kon nu aan andere doeleinden worden besteed, zoals de gezondheidszorg en onderwijs. De investeringen in deze gebieden hebben ertoe geleid dat de toegankelijkheid van de gezondheidszorg sterk is verbeterd en de kwaliteit van de publieke gezondheidszorg zich naar een hoog niveau is getild. Onderwijs is tot en met het vijfde jaar van de middelbare school gratis en daarmee is analfabetisme onder nieuwe generaties vrijwel verdwenen. Op symbolische wijze is de oude legerkazerne Cuartel Bellavista in 1948 tot publieke school omgevormd, maar tegenwoordig dient het gebouw als nationaal museum. Belangrijk is ook dat sinds het afschaffen van het leger Costa Rica geen burgeroorlogen meer heeft gekend, in een regio waar interne conflicten aan de orde van de dag zijn.
De steun van de Verenigde Staten heeft er verder aan bijgedragen dat Costa Rica zich op veel gebieden goed heeft kunnen ontwikkelen. Al tijdens de revolutie van 1948 verkoos de VS onder president Truman de idealen van Figueres boven die van de regering en stond het daarmee ferm achter het grootste gedeelte van de Costaricaanse bevolking. Tegenwoordig is het bondgenootschap tussen de twee staten sterk en in het hypothetische geval dat Costa Rica zou worden aangevallen, kan zij rekenen op de steun van de grootmacht. Echter is Costa Rica voor haar vrede niet geheel afhankelijk van buitenlandse strijdkrachten. Zoals in artikel 12 is opgenomen, slaat de ban slechts op het permanente leger en kent het land nog steeds een kleine politiemacht en een nationale garde die voor rechtshandhaving en vredesoperaties kunnen worden ingezet. Tot nu toe heeft Costa Rica haar internationale problemen op een vreedzame wijze kunnen oplossen. Zo koos het land er in juli van dit jaar voor om een conflict met Nicaragua voor te leggen aan het Internationaal Gerechtshof in Den Haag.
Geen garantie voor succes
De omstandigheden destijds en de mentaliteit van de Ticos hebben in grote mate bijgedragen aan het succes van nu. Dit komt goed naar voren indien we kijken naar een ander Midden-Amerikaanse land dat zonder leger vertoeft: Haïti. Dit eiland heeft in 1995 het leger ontbonden, omdat de voormalige president en dictator Aristide bang was voor een staatsgreep. Pas in 2006 werd in Haïti een nieuwe president gekozen, maar in de ruim veertien jaar heeft de ontbinding van het leger an sich niets goeds gebracht. Inmiddels maakt Haïti kleine stapjes vooruit met de opbouw van de staat en helpt de stabilisatiemissie van de VN (MINUSTAH) met het handhaven van de vrede en veiligheid. De cijfers spreken voor zich: een geschatte 80% van de Haïtianen leeft onder de armoedegrens. De ontbinding van een leger is dus zeker geen garantie voor welvaart.
Geen utopie
Maar Costa Rica zelf kent ook haar problemen, en hoewel welvarend en vooruitstrevend, is het nog ver van het welvaarts- en ontwikkelingsniveau als in het Westen. Wellicht dat dit er ook aan bijdraagt dat een vreedzaam initiatief van een land als Costa Rica niet echt op waarde wordt geschat in deze wereld. Een wonderlijke wereld waar de Nobelprijs voor de Vrede wordt uitgereikt aan de leider van de enige overgebleven militaire superstaat, die momenteel zelf betrokken is in twee oorlogen. Is echte vrede dan werkelijk zo onhaalbaar? En moet het afschaffen van een leger door landen als Costa Rica enkel als naïef worden gekwalificeerd?
Bij ontvangst van de Nobelprijs merkte Obama op dat het gebruik van strijdkrachten onder sommige omstandigheden niet alleen noodzakelijk, maar ook moreel te rechtvaardigen is. Tegelijkertijd stelt hij dat mensen zoals Martin Luther King Jr. en Gandhi, inspiratoren die streven naar het vreedzaam oplossen van problemen, niet louter als passief en naïef kunnen worden gekwalificeerd, en dat een geweldloze strategie zeker een morele kracht heeft.
Het is daarom zeker niet onverstandig als het Westen ook om zich heen blijft kijken en kleine naties met grote ideeën zoals Costa Rica niet negeert. Dat wereldleiders internationale vrede vooralsnog onhaalbaar vinden, doet hier niet aan af. En dat verbeteringen in Costa Rica zelf in grote mate aan andere factoren dan het afschaffen van het leger kunnen worden toegerekend, betekent niet dat het afschaffen een loze zet is geweest. Het is een stap van een kleine en moedige staat naar een vreedzame wereld en, hoewel idealistisch, kan zij zeker niet als naïef worden gekwalificeerd. In groter verband lijkt deze stap van Costa Rica heel goed verenigbaar met de doelstellingen uit het Handvest van de VN, waar het handhaven van internationale vrede als één van de belangrijkste doelstellingen naar voren komt. Het feit dat Costa Rica in het geval van een externe bedreiging noodzakelijkerwijs een beroep kan doen op de militair sterke noorderbuur is goed verenigbaar met haar beleid. Immers heeft in een wereld waar de meeste staten nog altijd beschikken over militaire krachten, elke staat het recht op zelfverdediging.
De idealistische stap die Costa Rica heeft durven zetten, lijkt misschien een dooddoener in een wereld waarin militaire strijd niet is weg te denken, maar ruim een eeuw geleden leek het ook onmogelijk dat alle wereldleiders bijeen zouden komen om te spreken over internationale vrede en veiligheid. Misschien dat een wereld zonder strijdkrachten ooit geen utopie meer zijn. Costa Rica zal dan gezien worden als de staat die de eerste stap durfde te zetten, een voorbeeld voor de rest. Een stapje dichter naar vredesbeschaving toe.
Miranda Geelhoed is eerstejaars student Rechten aan de Universiteit van Leiden.