student institute of peace- and security issues                       

De lange weg naar vrije en onafhankelijke media in Irak

Baghdadnow.jpg

Door Laura Bianchi - De Britse krant The Guardian plaatste enkele weken geleden een opmerkelijke foto: een demonstratie van Irakese journalisten in de straten van Bagdad, die actie voerden voor de vrijheid van meningsuiting. Aanleiding van het protest van de journalisten was volgens de krant de woede over geweld door veiligheidsbeambten tegen journalisten die verslag deden over aanslagen, waarbij doden en gewonden zijn gevallen. De journalisten zijn ook boos over door de overheid ingestelde nieuwe licenties voor werkvergunningen, waarvoor ze een flinke smak geld moeten betalen. Een dergelijke demonstratie zou onder het bewind van Saddam Hoessein ondenkbaar zijn geweest. Het feit dat journalisten de straat op kunnen gaan om hun mening over persvrijheid te uiten, duidt op grotere vrijheden dan voorheen. Maar de inhoudelijke reden van het protest toont een groot ongenoegen over de huidige werking van de media. Die zijn namelijk nog lang niet vrij en onafhankelijk.

Journalisten in Irak werken onder moeilijke omstandigheden. De wederopbouw van het land is in volle gang, er is veel onrust en er worden nog steeds aanslagen gepleegd waarbij veel slachtoffers vallen, waaronder ook journalisten. Volgens de International Federation of Journalists (IFJ) was Irak in 2008 het gevaarlijkste land voor journalisten, al is het aantal doden onder hen drastisch verminderd in vergelijking met het jaar ervoor. In 2007 kwamen er 65 journalisten om, in 2008 waren het er 16. Het beroep van journalist is dus risicovol en bovendien volop in ontwikkeling. De media zijn door het voormalige strenge regime nog niet gewend om onafhankelijk te denken en publiceren. De route naar werkelijk vrije media is dan ook een lange weg die met strubbelingen, protest en geweld gepaard gaat. Het belang van de vrijheid van meningsuiting en het recht op informatie wordt onderstreept door artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: “Everyone has the right to freedom of opinion and expression; this right includes freedom to hold opinions without interference and to seek, receive and impart information and ideas through any media and regardless of frontiers.”

Bovenstaande bepaling vormt veelal het fundament onder het beleid en de doelstellingen van media- en hulporganisaties, die in diverse postconflictgebieden en ontwikkelingslanden actief zijn. Bij de ontwikkeling van Irakese media valt winst te behalen en veel organisaties schieten hierbij te hulp. Zo controleert USAID de nieuwsvoorziening tijdens de verkiezingen, is de BBC in 2005 de onafhankelijke radiozender Al Mirbad Radio in het zuiden van Irak gestart5 en is de Nederlandse journaliste Judit Neurink met steun van onder meer Press Now het Independent Media Center Kurdistan (IMCK) gestart. De rol van de media is volgens de hulporganisaties evident: hoewel media met hun berichtgeving haat en geweld kunnen aanwakkeren, zijn ze ook in de positie om een positieve bijdrage te leveren aan het democratiseringsproces van een land. Naast educatieve programma’s kunnen burgers via onafhankelijke, kritische nieuwsmedia informatie en opvattingen vergaren en zich op basis daarvan een mening vormen. De diverse politieke stromingen, waaronder oppositiepartijen, maatschappelijke-en belangenorganisaties, krijgen de gelegenheid om hun mening te uiten. Vrije media fungeren idealiter als waakhond van de democratie, onder meer door autoriteiten ter verantwoording te roepen.

Vanwege deze positieve bijdrage van de onafhankelijke journalistiek aan een duurzaam democratiseringsproces, richten hulporganisaties media-instituten op in wederopbouwgebieden, waar ze journalisten trainen en mediaprojecten financieel ondersteunen. Deze organisaties beogen met de mediaprojecten een bijdrage aan een democratiseringsproces te leveren, maar in de praktijk mislukt dat vaak. De projecten hebben meestal een kortstondig effect en ze zijn niet voldoende gericht op democratisering. De oorzaak hiervan is te vinden in de gebrekkige aandacht voor het opbouwen van instituties6, waardoor de projectresultaten niet goed beklijven. De daadwerkelijk duurzame bijdrage aan het democratiseringsproces zoals de organisaties zich hebben voorgenomen, dreigt daardoor niet te worden gerealiseerd. Meer aandacht voor instituties blijkt voor het langetermijneffect van de hulp relevant.

Nieuwe werkwijze UNESCO
Deze kritiek wordt gedeeld door Mogens Schmidt van UNESCO. Hij werkt op de afdeling die zich bezighoudt met vrijheid van meningsuiting, democratie en vrede. Volgens Schmidt is de werkwijze van UNESCO de laatste jaren sterk veranderd. De focus is verplaatst van de individuele journalisten naar het opbouwen van institutionele capaciteit. De organisatie verwacht via het ontwikkelen van instituties een duurzamer resultaat te kunnen bereiken. Dat begint volgens Schmidt bij het helpen instellen van wetgeving. “We willen een geschikte werkomgeving creëren door aan een wettelijk kader te werken waarin het mogelijk is om vrijheid, onafhankelijkheid en pluralisme na te streven. Dit dient ook ter bescherming tegen commerciële invloeden of druk vanuit de overheid of criminelen.” Verder hanteert UNESCO het ‘train de trainers’ model: “Via opleidingscentra proberen we op de lange termijn een hoger journalistiek niveau te bereiken. In Afrika bestaan inmiddels dertien van dit soort instellingen en in 2011 willen we ook in Zuidoost Azië starten. Misschien volgen Latijns Amerika en de Arabische wereld ook nog.” Naast wetgeving en kennis van het journalistieke vak, richt UNESCO zich ook op de verantwoordelijkheden van journalisten. “Ze moeten hun eigen rechten kennen, maar we geven ook aan welke verwachtingen wij hebben van hun ethische en professionele standaarden. Vervolgens moeten ze hun eigen systeem opzetten en zich pro-actief opstellen om te voorkomen dat de overheid het voor hen regelt en de regels heel streng uitpakken.”
Voor een grote organisatie als UNESCO, die veel zaken doet met overheden en uiteenlopende hulporganisaties, is deze werkwijze wellicht gemakkelijker te hanteren dan voor kleinere organisaties. Toch zouden deze er volgens Schmidt goed aan doen om minder op zichzelf gericht te zijn: “Ze hebben hun eigen samenwerkingsverbanden en hun eigen opleidingsorganen opgericht. Dat is op een bepaalde manier heel sympathiek en is vaak ook een wat gemakkelijker weg om projecten op te starten. Samenwerken met bestaande instituten, bijvoorbeeld universiteiten, is niet eenvoudig. Er zitten nogal wat conservatieve figuren, die niet altijd even happig zijn op veranderingen. Maar als je aan duurzaamheid wil werken, moet je wel met hen samenwerken.” Daarnaast ziet Schmidt de mediaprojecten niet als op zichzelf staande projecten, maar als onderdeel van een ‘multi-level program’. “Je moet samenwerken met mensen die op andere manieren een democratie proberen te consolideren, bijvoorbeeld degenen die zich met verkiezingen en wetgeving bezighouden.”

Media-instituties in Irak
Mogens Schmidt erkent dat het geweld in grote delen van Irak voor een gevaarlijke werksituatie voor veel Irakese journalisten zorgt. De druk van de overheid op journalisten en het uitdelen van boetes na publicaties komen hem bekend voor. Hij kent twee gevallen waarin journalisten naar aanleiding van hun werk in de gevangenis terecht zijn gekomen. Toch gaat het met de ontwikkeling van de media volgens hem de goede kant op: “Geduld en realisme zijn een schone zaak. Het medialandschap van een postconflictland verander je niet van de ene op de andere dag. Door de instabiele situatie in het land bestaat er een zeker instortingsgevaar voor allerlei initiatieven. Maar ik ben positief gestemd.” Schmidt vindt het niveau van persvrijheid vooral in Koerdistan heel redelijk. Volgens hem doet 30 procent van de journalisten onpartijdig verslag. Dat is beter dan in Afghanistan, waar ook veel projecten lopen: “Afghaanse journalisten, zoals veel Irakese journalisten, weten wat ze moeten doen, maar ze doen het niet. Dat komt omdat de media in het bezit zijn van politici.” Het kan slechter. Hij schat het aantal onpartijdige journalisten in Ivoorkust op 10 procent. Een land dat het volgens hem wel goed doet is Mozambique, waar 65 procent van de journalistiek onpartijdig is.

De ontwikkeling van de media in Irak is in volle gang en hulporganisaties proberen op allerlei manieren de rechten en plichten van vrije media in instituties, maar ook in de hoofden van burgers, te verankeren. Het IMCK in Koerdistan richt zich behalve op journalisten bijvoorbeeld ook op politici en ondernemers. Tijdens trainingen leren zij hoe ze hun boodschap begrijpelijk kunnen maken en op welke manieren ze die aan de burgers kunnen overbrengen. UNESCO geeft workshops over mediawetgeving en geeft ook les aan leraren en politieagenten om het bewustzijn van de constitutie en het belang van democratie en mensenrechten te vergroten. Het resultaat ziet er veelbelovend uit. Zo zijn er over de werking van de media in verkiezingstijd (gedrags) regels opgesteld en vastgelegd in bijvoorbeeld de Code of Conduct for the Media During Elections.8 Deze code is door de Irakese Communicatie en Media Commissie opgesteld en schrijft voor wat er voor en tijdens de verkiezingen van de media wordt verwacht. De Commissie is een constitutioneel orgaan en de code grijpt terug op internationale standaarden, waaronder ook het bovengenoemde artikel 19 van de Verklaring van de Rechten van de Mens. Verder is er een opleiding journalistiek aan de Universiteit van Bagdad en tijdens verkiezingen is gebleken dat politici en burgers de mogelijkheid hadden om via uiteenlopende bronnen informatie te verstrekken en te vergaren.

Aan het opbouwen van instituties wordt dus gewerkt, maar de inspanningen leiden nog niet tot de aanpassingen die nodig zijn om journalisten daadwerkelijk veilig, onafhankelijk en kritisch hun werk te kunnen laten uitvoeren. Journalisten lopen in grote delen van Irak gevaar en de berichtgeving is grotendeels partijdig. In Koerdistan is de situatie vergeleken met de rest van Irak relatief rustig en veilig. Maar de ontwikkeling van vrije media staat ook hier duidelijk nog in de kinderschoenen. “Onafhankelijk blijkt vaak te worden verward met ‘anti’, wat in de praktijk betekent dat onafhankelijke journalisten eigenlijk bij de oppositie horen. Tijdens trainingen proberen we ze ervan te overtuigen dat ‘onafhankelijk’ iets anders betekent dan oppositioneel”, aldus Judit Neurink van het IMCK. Volgens haar wordt de Perswet selectief toegepast. Na kritische stukken worden onafhankelijke media verplicht om bronnen te vermelden of boetes te betalen. Er is volgens Neurink dringend behoefte aan een Raad voor de Journalistiek en regelgeving op het gebied van openbaarheid van bestuur. Ondertussen waarschuwde de International Crisis Group in 2009 dat Irak in een bestuurscrisis zit. De regering is weliswaar door het volk gekozen, maar is zwak. Er zijn voortdurend opstanden tegen het bestuur en milities grijpen de macht waar ze maar kunnen. Het land loopt het risico om een falende staat te worden, met desastreuze consequenties voor de regio. De ICG dringt erop aan om de Grondwet te herzien, de macht van de milities drastisch in te perken en om het leger, de politie, de inlichtingendiensten en de grensbewaking uit te breiden teneinde de veiligheid te kunnen waarborgen.9

De verdere ontwikkeling van vrije media in Irak zal nog jaren vergen. Met een zwak bestuur en corruptie op de loer is er nu sprake van een heel breekbare situatie in het land. Wel beginnen de mediaprojecten wortel te schieten; journalisten nemen kennis van nieuwe zienswijzen om hun werk uit te voeren en politici wennen eraan dat van hen wordt gevraagd om zich te verantwoorden. Maar met het terugtrekken van de Amerikaanse troepen uit Irak en de toenemende aandacht voor andere brandhaarden in de wereld, bestaat het risico dat de internationale gemeenschap haar aandacht voor de situatie in Irak langzaam maar zeker verliest. Ook de mogelijk verslechterende financiële situatie van hulporganisaties als gevolg van de economische crisis, kan ertoe leiden dat mediaprojecten voortijdig worden beëindigd. Terwijl juist nu de mediawetgeving ter bescherming van journalisten moet worden aangescherpt, mediabedrijven moeten worden geholpen om financieel onafhankelijk te kunnen opereren en de opgebouwde instituties moeten worden uitgebreid en ook nageleefd zoals zij zijn bedoeld. Met aanhoudende inzet kunnen vrije media in Irak ontstaan en behouden blijven. En dat is waar het de demonstrerende journalisten in Bagdad om te doen was.

Laura Bianchi studeerde journalistiek en en politicologie en is sinds 1999 werkzaam als journalist.