student institute of peace- and security issues
student institute of peace- and security issues
Door Shivant Jhagroe - Terrorismebestrijding in Afghanistan: missie zelfondermijning?
Sinds 11 september 2001 heeft het antiterrorismebeleid in landen als Nederland en de VS een enorme vlucht genomen. Talloze politieke en juridische mogelijkheden hebben ruimte geboden voor missies, operaties en beleidsmaatregelen in eigen land en in het buitenland. Eén van de meest pregnante exponenten hiervan is terrorismebestrijding in Afghanistan.1 Vanuit een Westers perspectief zijn er voor dit Aziatisch land nobel ogende doelen geformuleerd. Echter, de strijd tegen terroristen lijkt een gebed zonder eind. Ondanks debatten over militaire en diplomatieke strategieën, is er een onderliggende prangende vraag: waarom lijkt en blijkt het uitschakelen van terroristen veelal onbegonnen werk?
Dit artikel biedt voor deze vraag een alternatieve uitleg en betoogt dat de doelgroependefinities van antiterrorismebeleid2 contraproductieve gevolgen heeft. Om effectief en legitiem antiterrorismebeleid te voeren is de constructie van doelgroepen zoals ‘terroristen’, ‘burgers’ en ‘militairen’ noodzakelijk. Echter, de gehanteerde beleidssemantiek leidt tot een zelfondermijning van het beleid. Deze paradox zal worden geanalyseerd aan de hand van de werking van de beleidsdefinities ‘terroristen’, ‘burgers’ en ‘militairen’ en hun achterliggende essentialistische mensbeelden.
De beleidssemantiek nader beschouwd
De afgelopen jaren hebben we via de massamedia het aantal slachtoffers en gewonden bij antiterroristische operaties in Afghanistan mogen meeturven. Interessant hierbij is de informatie over eventuele burgerslachtoffers. Er wordt namelijk een onderscheid gemaakt tussen de uitschakeling van ‘opstandelingen’ of ‘terroristen’ enerzijds en het vallen van ‘burgerslachtoffers’ anderzijds. In twee recente voorbeeldpassages uit Nederlandse krantenartikelen3 komt dit onderscheid treffend naar voren:
In het eerste bericht worden naast burgers ook tientallen Taliban geteld. Dit vooronderstelt het onderscheid tussen ‘burgers’ en ‘niet-burgers’. Wellicht nog opvallender is het tweede bericht, omdat hier eigenlijk impliciet wordt erkend dat er een vaag en subjectief onderscheid bestaat tussen ‘burgerslachtoffers’ en ‘niet-burgerslachtoffers’.
Dezelfde logica wordt ook gehanteerd door de Nederlandse staat. In een kamerstuk van 17 juni 2009 over de stand van zaken in Afghanistan, maakt het ministerie van Defensie onderscheid tussen ‘burgerslachtoffers’ en ‘de opstandelingen’6. Dit onderscheid wordt overigens niet alleen gemaakt door de Nederlandse staat, we kunnen dit vinden in vrijwel alle antiterrorismestrategieën van westerse landen (VS, Groot-Brittannië, Duitsland) en niet-westerse landen (Pakistan, Indonesië). Al deze landen hebben sinds enkele jaren een sterke nadruk gelegd op het uitschakelen van ‘terroristen’ via antiterrorismebeleid.
De logische vooronderstellingen van antiterrorismebeleid
De belangrijkste voorwaarde voor dergelijke militaire strategieën en operaties is een solide politiek-juridische basis. Deze fundamenten zijn in de afgelopen jaren in veel landen door de politiek gelegd. Op het gebied van internationale terrorismebestrijding willen staten eventuele risico’s op terroristische aanslagen wegnemen. Opvallend is dat dit in combinatie dient te gaan met het stimuleren van democratische, economische en liberaalhumanistische ontwikkelingen. Volgens Slavoj Žižek (2005) zijn er tegenwoordig twee legitimeringen voor staten om oorlog te voeren in de strijd tegen terrorisme. Ten eerste kan oorlog als legitiem worden gezien als minstens één van de Westerse mogendheden of - allianties wordt aangevallen. Ten tweede is militaire interventie gelegitimeerd als er etnische en religieuze onderdrukking of conflicten plaatsvinden in de wereld7. Terrorismebestrijding wordt gelegitimeerd in de breedst mogelijke zin: (1) in naam van (in)directe zelfverdediging; en (2) om liberaalhumanitaire redenen. Ondanks een sceptische houding van sommige politieke partijen kan op basis hiervan brede politieke steun worden gegenereerd voor een militaire interventie. Linkse partijen legitimeren dit op grond van liberaalhumanitaire doelen en rechtse partijen identificeren zich met het recht op zelfverdediging.
Een belangrijke beleidsimplicatie van deze politiek-juridische redenering is dat degenen die liberaalhumanitaire grenzen overschrijden (bijvoorbeeld door vrouwen te onderdrukken), een centrale beleidsdoelgroep vormen. Een staat kan überhaupt weinig uitrichten zonder een doelgroep te hebben gedefinieerd zoals ‘gehandicapten’, ‘mensen met overgewicht’, ‘illegalen’, ‘werklozen’, ‘criminelen’, ‘graaiers’ of ‘alle Nederlanders’. Het Amerikaanse ministerie van Defensie expliciteert bijvoorbeeld dat het doel van de USFOR in Afghanistan is “to defeat terrorist networks and insurgents”, omdat dit zou bijdragen aan “economic development for the people of Afghanistan.” 8 Ook het Nederlandse Afghanistanbeleid kent – in de zogenoemde 3D-strategie (Development, Diplomacy and Defence) - een onderscheid tussen Talibanstrijders en (de hearts and minds van) de burgerbevolking. 9 Hieruit kan worden opgemaakt dat er drie centrale beleidsgroepen bij terrorismebestrijding in Afghanistan worden geconstrueerd, te weten ‘terroristen’10, ‘burgers’, maar ook ‘militairen’ (die onder NAVO-vlag opereren). De politieke verwachting is namelijk dat ‘militairen’ de ‘terroristen’ actief opsporen en doden om zo de terroristische dreiging te minimaliseren, vooral voor de ‘burgerbevolking’. Tegelijk helpen ze deze ‘burgers’ via het zogenoemde opbouwwerk. Dit zou het uit te voeren antiterrorismebeleid effectief, legitiem en volkomen logisch maken.
Drie figuren achter antiterrorismebeleid: homo sacer, homo sanctus en homo iuguolo
Voordat we het contraproductieve karakter van antiterrorismebeleid kunnen beschouwen dienen we de noodzakelijke constructie van de ‘terrorist’, de ‘militair’ en de ‘burger’ nader te bekijken. Hiervoor is Giorgio Agamben’s analyse van de homo sacer zeer toepasselijk. 11
Volgens Agamben werd er ten tijde van dreiging of misdaad in het Romeinse Rijk een uitzonderingstoestand uitgeroepen. Hierin werd de vijandige figuur, de homo sacer, vervloekt en bezat geen offerwaarde meer voor de goden. Tevens kreeg hij een juridische status zonder civiele rechten. Het leven van deze homo sacer viel dus eigenlijk buiten het goddelijke en het juridische. Deze dubbele uitsluiting betekende dat het doden van de homo sacer kon plaatsvinden zonder enige vorm van sanctie of vervolging. Dit legitieme geweld was dus mogelijk door zijn paradoxale positie als rechteloos wezen binnen het recht. Parallel hieraan kunnen we opmerken dat de homo sacer zich dus bevindt binnen de maatschappij als bedreiging en tegelijkertijd buiten deze maatschappij als vijand. 12 Hij bevindt zich in een min of meer vergelijkbare positie als een voetbalspeler die tijdens een wedstrijd buitenspel staat. Want hoewel de speler enerzijds onderdeel uitmaakt van het spel tijdens het buitenspel staan, is hij anderzijds ook niet betrokken bij het spel vanwege diezelfde buitenspelpositie. Om buitenspel te staan, moet de speler dus tegelijk binnen en buiten het spel staat.
Een dergelijke logica zien we ook binnen antiterrorismebeleid. Er wordt een juridische ruimte gecreëerd binnen het recht om de ‘terrorist’ figuur buiten het recht te plaatsen. Hij verliest daarmee zijn burgerstatus waardoor het legitiem is deze terrorist uit te schakelen13. En zoals de homo sacer geen religieuze offerwaarde had, kan de terrorist als homo sacer in onze tijd niet worden opgeofferd voor de seculiere politieke theologie van democratie en mensenrechten. De Reformatie, de Renaissance en de Verlichting (15e tot en met de 18e eeuw) hebben voor een groot deel bijgedragen aan de verschuiving van het goddelijke in het religieuze, naar het heilige in de mens. Omdat de terrorist een bedreiging zou vormen voor deze democratische (demos = volk) en humanistische (humanis = menselijk) idealen, bezit hij geen ‘heilige’ betekenis. Daarom kan hij niet worden opgeofferd en mag hij wel worden gedood.
De burgerbevolking en de militair kunnen daarentegen wel worden opgeofferd. De ‘burger’ is namelijk de tegenhanger van de ‘terrorist’, immers deze burger dient beschermd en (economisch en democratisch) geholpen te worden. Het hoge offergehalte van deze burgers zien we zelfs terug in de terminologie zodra ze sterven, namelijk als ‘burgerslachtoffers’. We kunnen dus voortbouwen op Agamben’s notie van de homo sacer. De burger is namelijk een soort homo sanctus, als ‘heilige’ voor de liberaalhumanitaire beleidsdimensie14. Daarom kan deze figuur wel worden opgeofferd en mag dus niet worden gedood. De ‘militair’ heeft een opvallende dubbelrol als homo sanctus èn homo sacer. Enerzijds heeft deze figuur een zekere offerwaarde, immers hij vecht voor bovengenoemde idealen. Anderzijds hoort een eventuele uitschakeling van deze militair nu eenmaal bij zijn beroep. De ambiguïteit van de militair als een soort homo iuguolo (degene die doodt) is dus dat hij tegelijkertijd niet en ook weer wel kan worden opgeofferd en mag daarom zowel niet als wel worden gedood15.
De scheidslijnen tussen en de constructie van de figuren ‘terrorist’, ‘burger’ en ‘militair’, lijken beleidspolitiek gezien noodzakelijk en uiterst nuttig. Echter, de wat instabiele posities van deze drie figuren achter antiterrorismebeleid, komen in de weerbarstige praktijk onmiskenbaar tot uiting.
Zelfondermijnend antiterrorismebeleid
Het uitschakelen van ‘terroristische elementen’ is een politiek doel dat ‘op de grond’ wordt uitgevoerd, maar lijkt en blijkt een utopisch doel. De afgelopen jaren hebben we namelijk gezien dat de haalbaarheid en legitimiteit van de missie in Afghanistan in toenemende mate ter discussie wordt gesteld. Naast het verzet in Afghanistan zelf, lijkt de steun voor de missie vanuit het parlement, de media en de samenleving ook af te kalven. Niet alleen in Nederland is er kritiek, ook in landen als de Verenigde Staten en Duitsland worden grote vraagtekens gezet bij terrorismebestrijding in Afghanistan. De tragiek van antiterrorismebeleid is dat 2009 zowel het dodelijkste jaar is voor militairen in Afghanistan tot nu toe16, als het jaar is waarin de Taliban steeds meer terrein lijken te winnen.
Beleidsdefinities als excluderend mechanisme
Het antiterrorismebeleid is contraproductief omdat de definities van de onderscheiden doelgroepen een excluderende werking tot gevolg heeft. De doelgroepen worden namelijk geconstrueerd vanuit de vooronderstelling dat deze figuren volledig zouden samenvallen met hun ‘mens-zijn’. Vrijwel elke definiëring van mensen (bijvoorbeeld ‘schrijvers’, ‘vrienden’ of ‘bakkers’) is een inclusie van sommige aspecten die blind is voor andere aspecten. Voor de klanten van een bakker betekent deze mens (als bakker) bijvoorbeeld iets totaal anders dan voor een vriend van dezelfde mens. Deze bakker kan zijn vriend gratis een brood aanbieden, tenzij er bijvoorbeeld andere klanten in zijn winkel aanwezig zijn en deze vriend ook als klant wordt gedefinieerd. Immers, laatstgenoemde kan het brood niet zomaar kosteloos aannemen. Zo excludeert het ‘vriend-zijn’ het ‘klant-zijn’ en andersom. Mensen hebben zo meerdere sociale rollen tegelijk, ‘muziekliefhebbers’, ‘klanten’, ‘rechtssubjecten’, ‘werknemers’, ‘familieleden’ en/of ‘geliefden’. Staten (of supranationale instellingen) reduceren deze complexiteit door te focussen op datgene wat logischerwijs correspondeert met hun politieke doelen. Voor antiterrorismebeleid worden mensen als fysieke lichamen zo gereduceerd tot terroristen, burgers of militairen. Dit reductionisme binnen antiterrorismebeleid is de bron van haar zelfondermijning, omdat het ogenschijnlijk beleidsirrelevante zeer relevant wordt.
Van homo sanctus tot homo sacer in Afghanistan
De burgerbevolking in Afghanistan zijn ‘burgers’ voor het antiterrorismebeleid van bijvoorbeeld ISAF, Nederland, VS of het Karzai-regime. Echter, dit perspectief sluit uit dat burgers ook andere aspecten bezitten (als ‘partner’, ‘familielid’ of ‘talentvolle voetballer uit de buurt’). Deze burgers kunnen preventief uit bed worden gelicht, of familie of vrienden kunnen per ongeluk worden opgeofferd en tot burgerslachtoffers worden ‘gepromoveerd’. Ook kunnen huizen van onschuldige burgers in puin veranderen als collateral damage. Dergelijke (veel voorkomende) acties leiden tot een groeiend verzet en opstand bij de burgerbevolking tegen de ‘bevrijdende militairen’. Op dezelfde wijze kan de uitschakeling van terroristen voor familieleden of vrienden van deze terrorist (eventueel als ‘vrijheidsstrijder’) resulteren in groeiend verzet. Het doden van terroristen is dus de directe uitschakeling van een scala aan andere aspecten of sociale rollen. De uitschakeling van de figuren ‘burgers’ en ‘terroristen’ betekent voor het beleid een toename van ‘mensen met terroristische neigingen’. Er zullen steeds meer mensen als ‘terroristen’ worden gedefinieerd. De homo sanctus transformeert hier, door toedoen van de homo iuguolo, tot een homo sacer. Zo verwordt het offeren van burgers en uitschakelen van terroristen een contraproductieve beleidsactiviteit.
Van homo iuguolo tot homo sanctus in het Westen
Eenzelfde dynamiek vinden we in Westerse landen. De laatste tijd vermindert de politieke steun in diverse NAVO-landen. De groei van ‘terroristische elementen’, inherent aan antiterrorismebeleid, noopt tot de inzet van meer militairen en de daaraan verbonden kostenstijging. In de binnenlandse politiek leidt dit ertoe dat in toenemende mate vraagtekens worden gezet bij de effectiviteit van het optreden. De oorlog wordt in deze zin niet verloren op het slagveld maar (in het antiterrorismebeleid zelf en daarmee) binnen de nationale politiek.
Hiernaast speelt een tweede zelfondermijnende factor mee, namelijk de beleidsreductie van ‘mensen’ tot ‘militairen’. Op het moment dat er militairen sneuvelen, zien we dat er kritische reacties komen uit de media en de politiek. Een opmerkelijk voorbeeld is dat de Canadese staat wil dat de media minder aandacht besteden aan omgekomen militairen in Afghanistan en het halfstok laten hangen van de nationale vlag verbiedt.17 De reden dat de staat op deze wijze handelt is dat niet-militaire aspecten van militairen niet mogen worden blootgelegd. Want op de manier waarop het uitschakelen van de terrorist en de burger het uitschakelen is van veel meer, is het sneuvelen van de militair ook het sneuvelen van een zoon, dochter, collega, vriend en/of Nederlander. Op het politieke niveau wordt een omgekomen militair vaak gelegitimeerd vanuit een homo sacer¬-logica, immers er kunnen nu eenmaal militairen sneuvelen. Echter, hoe meer militairen er worden uitgeschakeld, hoe meer weerstand er ontstaat. Op dat moment worden niet-militaire, heilige en menselijke aspecten relevant en is er sprake van een offer. De homo iuguolo transformeert binnen de nationale context dus tot een homo sanctus. Deze offers slaan dan logischerwijs om in kritiek door politieke partijen en de media, waardoor het beleid onder druk komt te staan (in Nederland specifiek door het Srebrenica-verleden).
Het antiterrorismebeleid is op dit punt dus wederom contraproductief. Het resulteert namelijk tot datgene waar de verantwoordelijken en ontwerpers van antiterrorismebeleid niet op zit te wachten: een groeiend verzet in de politiek en onder de bevolking.
Een heilige boemerang?
We zien dat terrorismebestrijding in Afghanistan paradoxale gevolgen heeft. De beleidspolitieke grondvraag luidt: wie definiëren we als ‘niet-burgers’ tegenover ‘burgers’? Maar met deze beleidslogica gaan zelfondermijnende effecten gepaard. Dit alles biedt een cynisch vooruitzicht want hoe harder wordt vastgehouden aan deze beleidssemantiek, hoe contraproductiever het beleid zal zijn.
Is er een uitweg mogelijk uit deze zelfgeorganiseerde negatieve feedback? Eén perspectief is het creatief omgaan met de paradoxale vraag: hoe includeer je aspecten die ondemocratisch lijken in een democratisch systeem? Wat in elk geval weinig vruchtbaar blijkt, is spreken en denken in termen van ‘terroristen’ en ‘burgerslachtoffers’. Een eventueel geherdefinieerde focus van Afghanistan naar andere delen in de wereld, zoals Pakistan – omdat het internationale terrorisme nationale grenzen zou overschrijden – zou niks veranderen aan deze beleidssemantiek. Een politiek pijnlijke vraag die hieruit volgt is dan ook: hoeveel zijn wij bereid op te offeren van ons recht op zelfverdediging en onze democratische en liberaalhumanitaire idealen?
Shivant Jhagroe MSc is bestuurskundige en als wetenschappelijk docent verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Noten
1 Equivalente Engelstalige benamingen die gehanteerd worden zijn War on Terror en de onlangs geïntroduceerde Overseas Contingency Operation.
2 In dit artikel ga ik niet uit van het antiterrorismebeleid van één specifieke staat. Omdat het ons gaat om de (algemene) contraproductieve logica van het uitschakelen van ‘terroristen’, wordt ‘antiterrorismebeleid’ hier als volgt gedefinieerd: het handelen van soevereine staten en/of supranationale entiteiten gericht op het uitschakelen van ‘terroristen’, zoals gedefinieerd door deze staten of entiteiten zelf. Hierbij kan worden gedacht aan Nederland, de VS, VK, maar ook de NAVO.
3 Dergelijke berichten zien we terug in het gehele medialandschap omdat ze vaak afkomstig zijn van de grote persbureaus zoals AP en Reuters.
4 Bron: Bevrijdingsactie Kunduz: 5 doden, NRC, 9 september 2009.
5 Bron: Bloedbad bij luchtaanval Afghanistan, NRC, 4 september 2009.
6 Bron: Nederlandse Ministerie van Defensie. Stand van zaken Afghanistan.
http://www.defensie.nl/missies/afghanistan/wederopbouw.
7 Žižek, S. (2002). Welcome to the desert of the real. London: Verso.
8 Bron: Amerikaanse Ministerie van Defensie. United States Central Command. http://www.centcom.mil/en/afghanistan-media-information.html.
9 Bron: Nederlandse Ministerie van Defensie. http://www.defensie.nl/missies/afghanistan/wederopbouw.
10 Andere termen met dezelfde beleidsbetekenis als ‘terroristen’ zijn: ‘insurgents’, ‘Taliban’, ‘moslimstrijders’ of ‘verzetstrijders’.
11 Agamben, G. (1998). Homo Sacer: Sovereign Power and Bare Life. Stanford, CA: Stanford University Press.
12 Moderne exemplarische varianten hiervan zijn de Joodse inwoners van Nazi-Duitsland, maar ook pedofielen of illegale vluchtelingen.
13 Vergelijk de recentelijk geconstrueerde Somalische ‘piraten’.
14 Ondanks verschillen van burgerschap tussen Afghanistan en Nederlander, zijn ‘burgers’ in het Westen uiteraard ook sacraal, omdat deze ook diametraal tegenover ‘de terrorist’ staan, als (stilzwijgende) dragers van liberaalhumanitaire idealen.
15 Hier kan (anders dan bij Agamben) niet iedereen de homo sacer straffeloos doden, enkel deze homo iuguolo. Willekeurige mensen zonder militaire status zouden rechtsconsequenties ervaren voor het doden van een ‘terrorist’.
16 Zie iCasualities.org.
17 Bron: Canada verdoezelt z’n dode soldaten, NRC, 26 april 2006.