student institute of peace- and security issues
student institute of peace- and security issues
Door Elsa Schrier - Op maandagavond 7 december sprak commandeur Michiel B. Hijmans op uitnodiging van de Stichting JASON voor een grote groep geïnteresseerden. Klik hier voor een korte foto impressie van de lezing. Hijmans herinnerde het publiek eraan dat op deze dag precies 68 jaar geleden de aanval op Pearl Harbor plaatsvond. Een aanval die even schokkend was als de aanslagen van 11 september. Met deze twee voorbeelden kaartte Hijmans de noodzaak van internationale samenwerking aan. Niemand weet welke veiligheidsdreigingen zullen volgen in de toekomst. Gedegen voorbereiding op uiteenlopende scenario’s is dan ook noodzakelijk. Dit kan Nederland niet alleen. Goede internationale militaire samenwerking is daarom onontbeerlijk.
Internationale militaire samenwerking vindt zowel plaats op bilaterale als op multilaterale basis. De coördinatie hiervan ligt in handen van het ressort IMS. Binnen de organisatiestructuur van de Defensiestaf heeft IMS directe toegang tot de Commandant der Strijdkrachten. Hijmans benadrukte echter dat de basis voor goede samenwerking een sterk internationaal netwerk is. Nederland heeft op dit moment 35 defensieattachés op buitenlandse posten, die de defensieontwikkelingen in meer dan 90 landen volgen. Daarnaast heeft Nederland zo’n 560 mensen geplaatst binnen de NAVO en zijn er 300 Nederlandse militairen, waaronder liaison officieren, werkzaam over de gehele wereld.
Op het gebied van bilaterale samenwerking beschouwt Nederland de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk als belangrijkste strategische partners. Bij bilaterale samenwerking is er zoveel mogelijk sprake van win-win situaties, waarbij er wordt gewerkt op basis van wederkerigheid met gesloten beurzen. Tegenwoordig is bilaterale samenwerking eveneens voor een belangrijk deel gericht op nieuwe NAVO-partners zoals Albanië. Bilaterale samenwerking beperkt zich echter niet tot NAVO en EU bondgenootschappelijke partners. Van Chili tot Suriname en van Egypte tot Zuid-Afrika is er sprake van bilaterale militaire samenwerking. Zo wordt bijvoorbeeld Nederlands chirurgisch personeel in Zuid-Afrikaanse ziekenhuizen getraind in de behandeling van ernstige snijwonden.
Multilaterale samenwerking vindt vooral plaats binnen de NAVO en de EU. Beide organisaties werken momenteel aan het uitkristalliseren van hun mogelijkheden in de 21e eeuw. Zo ontwikkelt de NAVO momenteel een nieuw strategisch concept dat dient ter vervanging van het concept uit 1999. Artikel 5, een aanval op één is een aanval op allen, blijft echter een belangrijk uitgangspunt voor het Atlantisch bondgenootschap.
Het veiligheidsbeleid van de EU maakt eveneens de nodige ontwikkelingen door. In 2003 nam de Europese Raad de Europese Veiligheidsstrategie aan waarin vijf dreigingen voor Europa geïdentificeerd zijn. Dit zijn terrorisme, de verspreiding van
massavernietigingswapens, regionale conflicten, mislukte staten en georganiseerde misdaad. Om deze dreigingen het hoofd te bieden, zal de EU haar capaciteiten moeten versterken en actiever en meer coherent optreden. Het Verdrag van Lissabon dat op 1 december jl. in werking is getreden, biedt hiertoe nieuwe perspectieven. Zo voorziet het Verdrag in de mogelijkheid tot de vorming van een militaire kopgroep binnen Europa op basis van permanent gestructureerde samenwerking.
Ondanks alle ontwikkelingen die de EU op militair gebied doormaakt, heeft zij verklaard dat de NAVO onvervangbaar is. De NAVO en de EU zijn dan ook geenszins concurrenten van elkaar. De EU richt zich in het bijzonder op civiele en civiel-militaire taken, waar de juist NAVO geschikt is om in het hoge geweldsspectrum op te treden. Ondanks dat de NAVO is voorbereid op zware militaire taken, is zij in haar optreden sterk afhankelijk van haar lidstaten als het gaat om het leveren van militaire en financiële bijdragen. Het financieringsprincipe op basis van “the costs lie where they fall” vormt dan ook een zekere belemmering in haar slagkracht. De EU op haart beurt beschikt over meer financiële middelen. Zo was de EU in tegenstelling tot de NAVO in staat om in Kenia de rechtsvervolging van piraten in de Golf van Aden zeker te stellen. Dit draagt bij aan de effectiviteit van de antipiraterij-missie Atalanta.
Hijmans ging tot slot in op de vraag of een Europees staand leger realiteit kon worden of een utopie zou blijven. De EU heeft zeker voordelen bij een (staand) leger. Een Europees leger zou de EU als politieke en economische macht geloofwaardiger maken. Een gezamenlijke belangenbeharing zou bovendien de kostbare defensie binnen Europa efficiënter, effectiever en daadkrachtiger maken. Aan de andere kant zijn er grote obstakels te bespeuren. Zo bestaan er tussen de 27 EU-lidstaten grote verschillen in cultuur, ambitie en belangen. Daarnaast wordt betwijfeld of een EU-leger kan bestaan naast of binnen het Atlantisch bondgenootschap. Het zal dan ook aan de politieke bereidheid van de lidstaten liggen om een deel van de zeggenschap over de nationale defensie over te dragen aan ‘Brussel’. Het Verdrag van Lissabon vergroot in ieder geval kansen om tot een EU-leger te komen.
Of de EU de nieuwe mogelijkheden zal benutten om daadkrachtiger en ambitieuzer op te treden, hangt af van politieke wil. Zeker is echter dat Nederland steeds meer in internationaal verband zal opereren. Nederland kan zich immers niet volledig zelfstandig voorbereiden op nieuwe veiligheidsdreigingen. Het ressort IMS zal daarbij voor defensie een sleutel- en poortwachterfunctie blijven vervullen.
Gedurende het betoog en daarna kwamen vele vragen uit het enthousiaste publiek. Dit leverde een interessante discussie op die na de lezing werd voortgezet in de foyer.
Op het gebied van bilaterale samenwerking beschouwt Nederland de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk als belangrijkste strategische partners. Bij bilaterale samenwerking is er zoveel mogelijk sprake van win-win situaties, waarbij er wordt gewerkt op basis van wederkerigheid met gesloten beurzen. Tegenwoordig is bilaterale samenwerking eveneens voor een belangrijk deel gericht op nieuwe NAVO-partners zoals Albanië. Bilaterale samenwerking beperkt zich echter niet tot NAVO en EU bondgenootschappelijke partners. Van Chili tot Suriname en van Egypte tot Zuid-Afrika is er sprake van bilaterale militaire samenwerking. Zo wordt bijvoorbeeld Nederlands chirurgischgeneeskundig personeel in Zuid-Afrikaanse ziekenhuizen getraind in de behandeling van ernstige snijwonden.
Multilaterale samenwerking vindt vooral plaats binnen de NAVO en de EU. Beide organisaties werken momenteel aan het uitkristalliseren van hun mogelijkheden in de 21e eeuw. Zo ontwikkelt de NAVO momenteel een nieuw strategisch concept dat dient ter vervanging van het concept uit 1999. Artikel 5, een aanval op één is een aanval op allen, blijft echter een belangrijk uitgangspunt voor het Atlantisch bondgenootschap.
Het veiligheidsbeleid van de EU maakt eveneens de nodige ontwikkelingen door. In 2003 nam de Europese Raad de Europese Veiligheidsstrategie aan waarin vijf dreigingen voor Europa geïdentificeerd zijn. Dit zijn terrorisme, de verspreiding van
massavernietigingswapens, regionale conflicten, mislukte staten en georganiseerde misdaad. Om deze dreigingen het hoofd te bieden, zal de EU haar capaciteiten moeten versterken en actiever en meer coherent optreden. Het Verdrag van Lissabon dat op 1 december jl. in werking is getreden, biedt hiertoe nieuwe perspectieven. Zo voorziet het Verdrag in de mogelijkheid tot de vorming van een militaire kopgroep binnen Europa op basis van permanent gestructureerde samenwerking.
Ondanks alle ontwikkelingen die de EU op militair gebied doormaakt, heeft zij verklaard dat de NAVO onvervangbaar is. De NAVO en de EU zijn dan ook geenszins concurrenten van elkaar. De EU richt zich in het bijzonder op civiele en civiel-militaire taken, waar de juist NAVO geschikt is om in het hoge geweldsspectrum op te treden. Ondanks dat de NAVO is voorbereid op zware militaire taken, is zij in haar optreden sterk afhankelijk van haar lidstaten als het gaat om het leveren van militaire en financiële bijdragen. Het financieringsprincipe op basis van “the costs lie where they fall” vormt dan ook een zekere belemmering in haar slagkracht. De EU op haart beurt beschikt over meer financiële middelen. Zo was de EU in tegenstelling tot de NAVO in staat om in Kenia de rechtsvervolging van piraten in de Golf van Aden zeker te stellen. Dit draagt bij aan de effectiviteit van de antipiraterij-missie Atalanta.
Hijmans ging tot slot in op de vraag of een Europees staand leger realiteit kon worden of een utopie zou blijven. De EU heeft zeker voordelen bij een (staand) leger. Een Europees leger zou de EU als politieke en economische macht geloofwaardiger maken. Een gezamenlijke belangenbeharing zou bovendien de kostbare defensie binnen Europa efficiënter, effectiever en daadkrachtiger maken. Aan de andere kant zijn er grote obstakels te bespeuren. Zo bestaan er tussen de 27 EU-lidstaten grote verschillen in cultuur, ambitie en belangen. Daarnaast wordt betwijfeld of een EU-leger kan bestaan naast of binnen het Atlantisch bondgenootschap. Het zal dan ook aan de politieke bereidheid van de lidstaten liggen om een deel van de zeggenschap over de nationale defensie over te dragen aan ‘Brussel’. Het Verdrag van Lissabon vergroot in ieder geval kansen om tot een EU-leger te komen. komen.
Of de EU de nieuwe mogelijkheden zal benutten om daadkrachtiger en ambitieuzer op te treden, hangt af van politieke wil. Zeker is echter dat Nederland steeds meer in internationaal verband zal opereren. Nederland kan zich immers niet volledig zelfstandig voorbereiden op nieuwe veiligheidsdreigingen. Het ressort IMS zal daarbij voor defensie een sleutel- en poortwachterfunctie blijven vervullen.
Gedurende het betoog en daarna kwamen vele vragen uit het enthousiaste publiek. Dit leverde een interessante discussie op die na de lezing werd voortgezet in de foyer.
Deze activiteit is mede mogelijk gemaakt door de gemeente Den Haag.
Filmpje Haagse hogeschool/TV