student institute of peace- and security issues
student institute of peace- and security issues
Door Susanne Kamerling - Vijfentwintig jaar burgeroorlog op Sri Lanka is voorlopig ten einde gekomen met de overgave van de Tijgers voor Bevrijding van Tamil Eelam (LTTE), beter bekend als de Tamil Tijgers. Verschillende externe factoren hebben bijgedragen aan de overwinning van de Sri Lankese regering op de rebellerende afscheidingsbeweging, waaronder de steun van China. De toekomst zal moeten uitwijzen of de regering in staat is tegemoet te komen aan de grieven onder de Tamilbevolking om een werkelijke duurzame vrede te bereiken.
Sinds 1983 vechten de Tamil Tijgers in Sri Lanka voor een onafhankelijke staat voor de hindoeïstische Tamilminderheid in het noorden, die 18 procent van de bevolking van 21 miljoen mensen uitmaakt. Decennialang zijn de Tamils gemarginaliseerd door de overheid die steunt op de meerderheid van boeddhistische etnische Sinhalezen. Dit heeft geresulteerd in een diaspora van Tamils die onder andere in Amerika en Canada, Groot-Brittannië, Frankrijk, Scandinavië en Australië wonen. Vanuit deze landen werd de strijd op het eiland gesteund door middel van actievoeren en lobbyen, maar ook door het sturen van geld en wapens. Dit maakte de rebellenbeweging op het eiland sterk genoeg om het gedurende ruim twintig jaar op te nemen tegen de regering. Echter is het tij al enkele jaren geleden gekeerd voor de Tamils, en verschillende factoren hebben hierbij een cruciale rol gespeeld: de rol van de internationale gemeenschap, en de banden van Sri Lanka met India en China.
Factoren in de eindstrijd
Verschillende mondiale en regionale factoren hebben bijgedragen aan de eindstrijd die op Sri Lanka sinds vorig jaar door de regering is ingezet. De regering in Colombo kon in de bestrijding van de LTTE allereerst steunen op de internationale gemeenschap, waar na de terroristische aanslag op de Twin Towers op 11 september 2001 een groeiende afschuw voor politiek geweld te bespeuren viel. Dit resulteerde erin dat mondiaal het bestrijden van terreurbewegingen hoog op de agenda kwam te staan. Ook nam in de globale publieke opinie de steun voor de strijd van de Tamil Tijgers af.
In het internationale politieke landschap dat na 9/11 ontstond werd er steeds harder opgetreden tegen de LTTE. Financiële stromen van de diaspora die voorheen de strijd ondersteunden, werden gecontroleerd of geblokkeerd. De Verenigde Staten en Europa ontwikkelden gezamenlijk strengere wet- en regelgeving om de financiële activiteiten van de LTTE te verstoren. Er kwamen verbanden tussen de LTTE en andere terreurbewegingen aan het licht, waaronder een incident waarbij de Tijgers Noorweegse paspoorten hadden gestolen en doorverkochten aan Al Qaida. In 37 landen, waaronder de Europese Unie, Verenigde Staten en Canada, werd de LTTE op de lijst van terroristische organisaties geplaatst. Dit alles had een cruciale uitwerking op de financiële en strategische ruimte om te opereren voor de LTTE, die als enige guerrillabeweging ter wereld in bezit was van een bescheiden landmacht, luchtmacht en marine. Belangrijke externe steun voor de LTTE droogde dus langzamerhand op in de nadagen van de terroristische aanslagen in de Verenigde Staten.
In dezelfde periode dat de capaciteiten van de LTTE afnamen, besloot de regering van Sri Lanka niet toevallig om haar leger te moderniseren. De in 2005 aangetreden president Rajapakse bezwoer de Tamil Tijgers te verslaan en maakte hier serieus werk van. Hij bevoorraadde de soldaten met meer en betere wapens en gaf de bevelhebbers meer ruimte om militaire campagnes op te zetten en uit te voeren. Het staakt-het-vuren dat in 2002 onder leiding van Noorwegen was overeengekomen zat al jaren in het slop en werd in januari 2008 de wacht aangezegd, en voor vredesonderhandelingen was voorlopig geen ruimte meer. Het hielp de rebellen ook niet dat er de afgelopen jaren mondjesmaat delen van de facties overliepen naar het regeringsleger van Sri Lanka.
De regering van Sri Lanka had voor het militaire offensief, dat in 2007 geïntensifieerd is ingezet, echter geld en wapens nodig. De ontwikkelingsgelden voor het eiland van de van oudsher belangrijkste donoren (de Verenigde Staten, Canada en de Europese Unie) waren door het geweld van de regering afgenomen, en de internationale gemeenschap was terughoudend in directe militaire steun om de vredesonderhandelingen niet verder te verstoren. Sri Lanka kon echter op steun rekenen van China, dat het eiland als een belangrijke strategische partner ziet.
Banden met China
China en Sri Lanka zijn al decennialang hun betrekkingen aan het verstevigen, maar sinds 2005 is de invloed van China op Sri Lanka exponentieel aan het toenemen. In dat jaar zijn er tijdens een bezoek van China’s premier Wen Jiabao aan het eiland afspraken gemaakt voor nauwere samenwerking. Het Memorandum of Understanding dat toen is gesloten tussen de voormalige president van Sri Lanka Chandrika Kumaratunga en Wen Jiabao behelsde onder andere de ontwikkeling van havenfaciliteiten op Hambantota, in het zuiden van Sri Lanka. In 2007 is dit project daadwerkelijk tot uitvoering gebracht na een bezoek van de nieuwe president van Sri Lanka Rajapakse aan China, waarbij hij de noodzaak van de deal ter waarde van 1 miljard dollar nog eens bij de Chinezen onder de aandacht heeft gebracht.
Hambantota is één van de ooit slaperige vissersdorpjes die door China zijn verkozen om deel uit te maken van een reeks van commerciële havens en marinesteunpunten in de Indische Oceaan. Het dorpje in het zuiden van Sri Lanka ligt op een strategische plaats om als aanleg- en bijtankhaven te dienen voor Chinese (marine)schepen. Het is een welkome onderbreking in de handelsroute van Afrika en het Midden-Oosten naar China. Het dient echter niet alleen als bescherming van energie en goederentoevoer, maar ook als basis om de
invloed in de Indische Oceaan uit te breiden. Ook Gwadar in Pakistan en Sitwe in Myanmar worden door de Chinezen omgebouwd tot havens naar internationale standaarden. Als gevolg hiervan voelt India zich omsingeld door wat zij ziet als een ‘strategische driehoek’, waarbij haar invloedssfeer wordt doorbroken door strategisch gekozen Chinese initiatieven. Voor China zijn deze plaatsen in ieder geval van belang om via Pakistan en Myanmar goederen en energie over land te vervoeren naar de Chinese (zuid)westelijke provincies Xinjang en Yunnan, waardoor voor een groot deel van de zeeroute wordt afgesneden. Ook bouwt China een snelweg van het noorden naar het zuiden van Sri Lanka, en is het betrokken bij onderzoek naar de aanwezigheid van olie op het eiland.
Maar de banden tussen Sri Lanka en China gaan verder dan infrastructurele ontwikkelingen en economische afspraken. Colombo ontvangt sinds 2005 ook meer ontwikkelingsgeld: van enkele miljoenen in 2005 tot 1 miljard dollar in 2008. Ter vergelijking: de Verenigde Staten gaven vorig jaar 7,4 miljoen en het Verenigd Koninkrijk 1,25 miljoen. Sri Lanka’s Minister van Buitenlandse Zaken Palitha Kohona zei hierover: “The new donors are neighbors, they are rich, and they conduct themselves differently. Asians don’t go around teaching each other how to behave.”
Maar last but not least: de militaire steun van China aan Sri Lanka is de afgelopen jaren toegenomen. Terwijl de internationale gemeenschap, inclusief India en het Westen, er huiverig voor was de burgeroorlog op het eiland te verergeren, sloot Sri Lanka wapendeals met China. In april 2007 tekende Colombo volgens Jane’s Defense Weekly een contract van 37,6 miljoen dollar om Chinese militaire voorraden en materieel in te kopen voor het leger en de marine. Volgens het Stockholm International Peace Research Institute heeft China Sri Lanka tevens zes F7 straaljagers gegeven, naar verluidt gratis. China heeft bovendien Pakistan aangemoedigd om Sri Lankese piloten hiervoor te trainen en daarnaast het eiland wapens te verkopen.
De militaire steun van China aan Sri Lanka is, naast de economische en ontwikkelingssteun, cruciaal geweest in het vermogen van de Sri Lankese overheid om de eindstrijd in haar voordeel te beslechten en is hiermee de tweede externe factor die van invloed is geweest in de beslechting van het conflict. Diplomatieke inspanningen van China in de VN-Veiligheidsraad hebben bovendien de inspanningen geblokkeerd om mensenrechtenschendingen door de overheid in Sri Lanka op de internationale agenda te zetten. India, dat Sri Lanka traditioneel ziet als onderdeel van haar invloedssfeer, is niet blij met de toegenomen invloed van China op het buureiland.
Houding van India
Sinds de moord op India’s premier Rahjiv Gandhi in opdracht van de beruchte Tamil-leider Velupillai Prabhakaran in 1991, zijn de betrekkingen tussen India en Sri Lanka bekoeld. Op de Tamilminderheid in deelstaat Tamil Nadu in het zuidoosten van India na, heeft de publieke opinie in het land zich tegen de strijd door de Tijgers op Sri Lanka gekeerd. De aanwezigheid van de Tamilminderheid op het vasteland van India heeft er ook voor gezorgd dat India terughoudend is geweest met offensieve militaire steun aan Sri Lanka. India is voorzichtig om de vele minderheden die het land rijk is voor het hoofd te stoten, uit angst voor de vorming van afscheidingsbewegingen zoals in Assam en delen van Kashmir. Bovendien bevinden zich ongeveer 70.000 vluchtelingen uit Sri Lanka zich op het Indiase vasteland.
Sinds China vanaf 2005 intensiever bij Sri Lanka betrokken is, zowel militair als anderszins, is India echter wel op haar hoede. De militaire en economische steun van China aan het nabijgelegen eiland wordt door India niet alleen als een veiligheidsrisico ervaren, maar vooral ook als een aantasting van de eigen invloedssfeer. Chidambaram, minister van Binnenlandse Zaken van India, verklaarde op dubbelzinnige wijze dat: “China is fishing in troubled waters.” Hij betoogde dat China misbruik maakt van de crisis in Sri Lanka om de invloed van het land in de Indische Oceaan uit te breiden, wat een impact heeft gehad op de Indiase reactie op de situatie in Sri Lanka.
Het uitspelen van China tegen India door de regering van Sri Lanka heeft er niet alleen voor gezorgd dat het minder afhankelijk was van internationale steun en minder gevoelig voor kritiek, maar het heeft er ook in geresulteerd dat India een hernieuwde aandacht heeft voor het eiland. India realiseert zich terdege dat als het steken laat vallen in de betrekkingen met Sri Lanka, China de eerste is die het gat zal opvullen. De rivaliteit tussen de twee regionale grootmachten zorgt ervoor dat Sri Lanka van strategische waarde is en bovendien een goede graadmeter voor het peilen van de regionale machtsverhoudingen.
Waar India voorheen indirecte en low-key militaire steun aan de regering van Sri Lanka bood (bestaande uit training van Sri Lankese officieren, het leveren van radarsystemen en informatieverstrekking in de inlichtingensfeer), overweegt nu om meer directe offensieve militaire steun (wapenleveranties) te verstrekken, met als doel evenwicht te bieden aan de invloed van China op Sri Lanka. De relatieve afzijdigheid van India in het conflict op Sri Lanka is de derde externe factor die hoe dan ook invloed heeft gehad op het verloop van de strijd.
Duurzame vrede?
Het samengaan van de drie externe factoren zoals hierboven beschreven zijn in sterke mate bepalend geweest in de eindstrijd op Sri Lanka. Zonder de harde aanpak van de LTTE door de internationale gemeenschap in de nasleep van 9/11, de relatieve afzijdigheid van India in het conflict, en de versterkte betrekkingen tussen Sri Lanka en China was het de Sri Lankese regering waarschijnlijk niet gelukt de militante afscheidingsbeweging van de Tamil Tijgers te verslaan. De combinatie van deze factoren zullen echter ook na de voorlopige overwinning op de LTTE van belang blijven.
De eerste reden hiervoor is dat Sri Lanka van belangrijke strategische waarde is gebleken voor zowel India als China; ten tweede omdat dit de rol van de internationale gemeenschap naar de achtergrond heeft verdrongen; en ten derde omdat het de vraag is hoe het de stabiliteit op het eiland in de toekomst zal beïnvloeden. Het leven van met name de Tamilbevolking in het noorden van het eiland is ontwricht. De gewelddadige strijd heeft volgens VN-schattingen alleen al sinds januari dit jaar, 7.000 burgers het leven gekost, er zijn tienduizenden binnenlandse vluchtelingen op de been, en de economie van het land is door de oorlog verstoord.
Een hoge diplomatieke EU-delegatie die in april van dit jaar onder leiding van de Franse minister van Buitenlandse Zaken Kouchner en zijn Britse ambtsgenoot Miliband het eiland bezocht, heeft bij de Sri Lankese regering nog aangedrongen op een wapenstilstand. Hen werd te verstaan gegeven dat de regering er niet op zat te wachten door Westerse diplomaten de les gelezen te worden: “Dit is niet Irak, dit is niet Afghanistan. Het is onze eigen interne strijd,” maakte de regering duidelijk. De rol die de internationale gemeenschap kan spelen op Sri Lanka is door de steun van China beperkter geworden. Europa is echter nog steeds de belangrijkste handelspartner van Sri Lanka. Het International Monetary Fund heeft gedreigd leningen op te schorten. Ontwikkelingsgelden van de Verenigde Staten, Canada en de Europese Unie kunnen worden stopgezet. Ondanks de steun van China zou dit een desastreuze impact op het eiland hebben. De regering zou er dus verstandig aan te doen ook de betrekkingen met andere landen en organisaties dan China op peil te houden.
Wat echter het meest van belang is om de stabiliteit op het eiland te herstellen en een vrede op de langere termijn te bereiken, is om politieke en sociaal-economische stappen te nemen die aan de diepgewortelde grieven van de Tamilminderheid tegemoet komen. Verbolgenheid over decennia van marginalisatie en discriminatie verdwijnen niet binnen een oogwenk. Als de overheid er niet in slaagt een bepaalde mate van verzoening tussen de verschillende bevolkingsgroepen te bereiken op het eiland zelf, zal het slechts een kwestie van tijd zijn voordat er een nieuwe groep Tamil Tijgers opstaat en de wapens herneemt. En dan is er geen enkele externe actor die dat tegen kan houden.
Drs. Susanne Kamerling is wetenschappelijk medewerker van het Clingendael Security and Conflict Programme. Ze doet onderzoek naar het veiligheidsbeleid van China en India, met name in de Indische Oceaan.