student institute of peace- and security issues
student institute of peace- and security issues
Door Leon Wecke - De vraag of de mens ‘van nature’ zodanig agressief is, dat als gevolg daarvan vijanden en oorlogen tot zijn onvermijdelijke entourage gerekend moet worden, is veelvuldig gesteld en beantwoord. Heeft de mens geen basisbehoefte aan veiligheid, zoals blijkt uit de prominente plaats op het tweede niveau van de behoeftenpiramide van Maslow? En zal niet altijd een bedreiging van die veiligheid door soortgenoten tot vanzelfsprekende vijandigheid leiden? Hebben dierpsychologische theorieën, die driftmatig agressief gedrag presenteren, niet enige geldigheid? Had Freud toch geen gelijk met zijn menselijke doodsdrift naar binnen en agressiedrift, die naar buiten gekeerd is? Zijn oude frustratie-agressietheorieën toch niet plausibel, waar ze inhouden dat onder bepaalde omstandigheden vijandig en agressief handelen een onvermijdelijk gevolg van opgekropte frustratie is? En aan frustraties valt in deze wereld niet steeds te ontkomen. Of moeten we met antropologen als Bendict, Malinowski en Mead concluderen dat de mens van nature niet vijandig of agressief is, maar dat vijandigheid en oorlog culturele feiten zijn? Dat laatste lijkt het geval. Maar ook dan blijf je toch nog zitten met de vraag hoe het komt dat van nature niet vijandig gezinde mensen er culturen op nahouden, die juist die vijandigheid generen.
Overigens, de overtuiging dat het kwaad met de menselijke natuur – wat dat ook zijn moge – gegeven is, komt menige gevestigde orde goed uit. Over de noodzaak van een repressieapparaat behoeft men dan niet meer in praatgroepen uiteen te gaan, het is een permanent gegeven.
Met ons soort cultuur is een vijanddenken gegeven: de overtuiging dat medemensen en groepen een ernstige bedreiging kunnen zijn. Een bedreiging, die in bepaalde gevallen concreet kan worden ingevuld met het beeld van een vijand. Dat vijanddenken is geïnstitutionaliseerd in onze samenleving. Het komt tot uitdrukking in de taal die begrippen als oorlog, geweld, wantrouwen en een keur aan misdaden bevat; in onze instituties, variërend van politie tot leger, bewapening, inlichtingendiensten en gevangenissen. In praktijken als militaire oefeningen, daadwerkelijke gevechtsacties, antiterrorismecampagnes, beveiligingscamera’s, gebiedsontzeggingen en arrestaties is de mens als bedreiging van de andere mens aanwezig. Volksliederen en een deel van de geschiedschrijving gewaagt van helden en overwinningen op kwalijke vijanden en De Schepper, die immer onze kant koos.
Ook mag niet vergeten worden hoezeer de aanwezige geweldsinstituties, of het nu de defensieorganisatie, bepaalde politieke groeperingen en aanverwante bureaucratieën betreft, permanent de noodzaak en wenselijkheid van een vijand gestalte geven. Een vijand is immers de ultieme legitimatie voor vaak geldverslindende defensieapparaten en militaire productie. De van Eisenhower afkomstige signalering van een machtig en ondemocratisch ‘militair industrieel complex’, heeft nog niets van zijn actualiteit verloren. Landen als de Verenigde Staten zullen niet of amper buiten een vijand kunnen. Die vijand vervult immers tal van essentiële functies en met name een rechtvaardigingsfunctie als het de militaire uitgaven betreft, de aard van offensieve wapens en het initiëren van of het participeren in militaire operaties. Hoewel de nieuwe president van de Verenigde Staten, Barack Obama, terecht met wereldwijd gejuich ontvangen is, zal hij als leider van een oerconservatief land met een geducht militair, industrieel, bureaucratisch en religieus complex, zich niet kunnen veroorloven de behoefte aan een vijand te negeren.
Een vijandbeeld vervult ook een belangrijke cohesiefunctie. Een sterke vijand, of in elk geval een als zodanig gepercipieerde vijand, is een belangrijke factor tot eenstemmigheid en helpt inherente maatschappelijke tegenstellingen en andere dreigingen te verhullen. Het verschaft identiteit, daar het de mogelijkheid biedt om je als goed mens en rechtvaardige maatschappij tegen de ondeugdzaamheid en agressiviteit van de ander en zijn maatschappij af te zetten. Een sterk vijandbeeld bevordert ook tot een sterk zelfbeeld dat als belangrijke eigenschappen heeft dat het de eigen waarden, normen en capaciteiten overschat en die van de ander onderschat.
Het moge zo zijn dat de mens niet van nature zijn soortgenoten vijandig gezind is, maar het is helaas wel zo dat de inrichting van de huidige maatschappijen en de inhoud van de dominante culturen ertoe leidt dat we de vijand, als een nuttig verschijnsel in leven houden.
Globalisering, institutionalisering van de complexe interdependentie, grotere gevaren van ecologische en demografische, zo niet van biologische aard, zijn factoren die op den duur de functionaliteit van de vijand kunnen ondergraven. Noodzaak tot mondiale samenwerking en het vermijden van onbeheersbare conflictvormen zal zich steeds meer aan de mensheid opdringen. Nationale en internationale samenwerking gericht op een niet meer bedreigde wereld, kan wellicht de vijand aan belang doen inboeten. Zijn functies, indien onmisbaar, kunnen ook op een andere wijze vervuld worden. Daarnaar dienen alle weldenkende mensen en hun regeringen te streven, alleen wel jammer dat de gevestigde belangen en de daaraan verbonden instituties de slogan “Vijand, goed voor U” nog lang in materiële en immateriële zin gestalte zullen geven.