student institute of peace- and security issues                       

Aanslagen in Mumbai

aanslagen-in-mumbai.jpg

Door Pieter de Vries Hoewel India van toenemend belang is voor de internationale – en indirect ook de Nederlandse – veiligheid en economie, wordt door de Nederlandse media doorgaans niet bijzonder veel aandacht besteed aan gebeurtenissen in India. Op 26 november 2008 en gedurende de dagen die hierop volgden kwam India echter plotseling volop in beeld. De reden hiervoor was een reeks aanslagen op prominente doelen in Mumbai (zie inzet). Hoewel de belangstelling voor deze gebeurtenissen in eerste instantie zeer groot was, is de berichtgeving in Nederland na de feitelijke aanslagen weer snel afgenomen. In India is de nasleep van de aanslagen nog vrijwel elke dag voorpaginanieuws. Dit artikel zal proberen op basis van informatie uit de Indiase kranten een overzicht te schetsen van de belangrijkste ontwikkelingen die zich na de aanslagen, die in India bekend staan als 26/11, hebben voorgedaan.

India en terrorisme
Alvorens de nasleep van 26/11 nader te analyseren, is het nuttig een beeld te schetsen van de achtergrond waartegen deze aanslagen zich hebben afgespeeld. De aanslagen in Mumbai staan namelijk bepaald niet op zich. India heeft een lange, treurige geschiedenis met geweld en terrorisme. Volgens de Global Terrorism Database van het Amerikaanse National Consortium for the Study of Terrorism and Responses to Terrorism zijn er in India tussen 1970 en 2004 meer dan 4.100 terroristische aanslagen gepleegd, met in totaal meer dan 12.500 dodelijke slachtoffers. Vergeleken met de officiële cijfers van de Indiase overheid, die uitgaat van 70.000 doden in dezelfde periode , is dit nog een vrij voorzichtige inschatting.
Vooral de verhoudingen tussen Hindoes (ongeveer 82 procent van de Indiase bevolking) en Moslims (ongeveer 12 procent) staan al eeuwen onder druk. De onafhankelijkheid van het subcontinent en de daaropvolgende opsplitsing in India en Pakistan in 1947 leidde bijvoorbeeld tot massale slachtpartijen tussen Hindoes en Moslims. Ruim 60 jaar later is geweld tussen beide bevolkingsgroepen nog steeds een regelmatig voorkomend fenomeen. Ook geweld tussen leden van verschillende kasten en andere bevolkingsgroepen komt regelmatig voor, zoals het recente geweld tegen Christenen in de deelstaat Orissa.
Door het aanvallen van Nariman House hebben de aanslagen een voor India onbekende dimensie. Tijdens zijn verhoor liet Kasab weten dat de aanvallers de specifieke opdracht hadden gekregen om zoveel mogelijk Joden te vermoorden, om zo de Israëlische bezetting van de Palestijnse gebieden te wreken.
Andere gewelddadigheden doen zich voor in de noordoostelijke deelstaten, waar verscheidene afscheidingsbewegingen actief zijn. In andere delen van het land, voornamelijk in de deelstaten Jharkhand, West-Bengalen en Andhra Pradesh, plegen zogeheten ‘Naxalieten’ (Maoïstische rebellen) regelmatig aanslagen.
Ook geweld met een externe dimensie, zoals de aanhoudende terroristische activiteit in de deelstaat Jammu & Kashmir en de aanslag op de Indiase ambassade in Kaboel in juli 2008, komt veel voor. In de meeste gevallen worden het Pakistaanse leger of de Pakistaanse geheime dienst, de Inter-Services Intelligence (ISI) ervan verdacht hierbij betrokken te zijn. Van de aanslag in Kaboel denken zowel de Indiase als de Amerikaanse geheime diensten dat deze in opdracht van de ISI is uitgevoerd.

Het belang van 26/11
Aangezien terrorisme in India een relatief veelvoorkomend fenomeen is, lijkt het een logische vraag waarom juist aan de aanslagen van 26 november zoveel publiciteit wordt gegeven. Deze vraag wordt verder versterkt door het feit dat in 2008 al meerdere grote aanslagen werden gepleegd. Naast de eerder genoemde aanval op de ambassade in Kaboel werden in juli bijvoorbeeld grootschalige aanslagen gepleegd in Bangalore en Ahmedabad, en was in september New Delhi het toneel van een grote aanslag.
De reden dat juist aan de aanslagen in Mumbai zoveel belang wordt gehecht is dat zij een grote symbolische waarde hebben. Mumbai is niet alleen de grootste stad van India, maar wordt ook gezien als de financiële en commerciële hoofdstad van het land, waardoor het samen met ICT-steden als Bangalore en Hyderabad als een boegbeeld van de Indiase economische ontwikkeling kan worden gezien. De beide aangevallen hotels, het Taj en het Oberoi, gelden daarnaast als dé vijfsterrenhotels van Mumbai en genieten, net als station CST, grote bekendheid over de hele wereld. Hierdoor, en doordat de aanslagen voor een groot deel specifiek waren gericht op buitenlanders, is India door de terroristen ‘te kijk gezet’ voor het oog van de hele wereld.
Het falen van de veiligheidsdiensten
De Indiase inlichtingendiensten opereren in grote mate gedecentraliseerd. Naast de Research and Analysis Wing (RAW), de dienst die verantwoordelijk is voor de externe veiligheid, bestaan er voor alle legeronderdelen aparte veiligheidsdiensten en worden er ook binnen veel deelstaten door onafhankelijk opererende diensten inlichtingen verzameld. De hoofdverantwoordelijke instantie voor het bestrijden van terrorisme, de National Security Guard, bevindt zich echter op federaal niveau.
Vanwege het relatief grote aantal aanslagen in de maanden voor 26/11 lag deze werkwijze al enige tijd onder vuur. Omdat de gezamenlijke inlichtingendiensten duidelijk gefaald hadden om de grootschalige aanval op Mumbai te voorkomen, zwol deze kritiek verder aan in de dagen na de 26e november. Klokkenluiders uit de RAW lieten in de media weten dat de aanslagen te voorkomen waren geweest als de communicatie tussen de verscheidene diensten beter was geweest en als de RAW enkele aanwijzingen voor de aanslagen correct had geïnterpreteerd.
In reactie hierop liet premier Singh weten bezig te zijn met het voorbereiden van een drastische reorganisatie van de veiligheidsdiensten en een federale inlichtingendienst te willen oprichten. Hoewel deze maatregelen in de media over het algemeen positief zijn ontvangen, zal de implementatie ervan niet zonder problemen zijn. Met name van de deelstaten die worden bestuurd door de BJP kan verwacht worden dat zij zich terughoudend op zullen stellen ten aanzien van de voorgenomen centralisatie.

Politieke implicaties
Binnen de door de Congress-partij geleide regeringscoalitie, die met name door de grootste oppositiepartij, de Hindoeïstisch-nationalistische BJP, regelmatig wordt aangevallen met het verwijt geen harde keuzes durven te nemen bij de bestrijding van terrorisme, werd gevreesd dat de aanslagen het vertrouwen in de regering wel eens drastisch zouden kunnen doen afnemen. Zeker met het oog op de aanstaande parlementsverkiezingen, die in april/mei zullen worden gehouden, zou dit vanuit electoraal oogpunt een potentieel desastreuze ontwikkeling betekenen voor de machthebbers.
Om de regering te redden diende er een zondebok te worden aangewezen. De meest logische kandidaat hiervoor bleek minister van Binnenlandse Zaken Patil, die al hevig onder vuur lag vanuit zowel de oppositie als de eigen gelederen. Gezien zijn directe verantwoordelijkheid voor het functioneren van de inlichtingendiensten kwam het voor weinigen als een verrassing dat hij op 30 november zijn ontslag aanbood aan premier Singh. Patil is opgevolgd door minister van Financiën Chidambaram.
Ook National Security Adviser Narayanan bood kort na de aanslagen zijn ontslag aan bij de premier. Dit werd echter geweigerd door Singh. Hoewel er verder druk werd gespeculeerd over het mogelijke ontslag van enkele belangrijke leden van de regering, waaronder minister van Defensie Anthony , zijn verder alle kopstukken aangebleven.
Pakistan
In het onderzoek van de politie van Mumbai en de geheime diensten werd al snel duidelijk dat de aanslagen in Pakistan zijn voorbereid door de terroristische groepering Lashkar-e-Taiba (LeT). Indiase analisten menen dat de ISI, die LeT in het verleden actief heeft gesteund bij operaties tegen India, ook betrokken is geweest bij de voorbereiding van de aanslagen van 26/11. Direct bewijs hiervoor is echter niet gevonden.
In eerste instantie werd zelfs door Pakistan ontkend dat de terroristen afkomstig waren uit Pakistan en dat de aanslagen op Pakistaans grondgebied waren voorbereid. Volgens het onderzoek van de Indiase overheid en geheime diensten zijn de terroristen vanuit een plaats nabij de Pakistaanse havenstad Karachi in een gekaapte vissersboot naar Mumbai gevaren, maar dit werd ontkend door Islamabad. Pas in januari, onder grote druk van onder meer de Verenigde Staten, liet de Pakistaanse minster van Binnenlandse Zaken Malik namens de regering van Pakistan weten dit oordeel te onderschrijven.
Eind februari bracht admiraal Bashir, de opperbevelhebber van de Pakistaanse marine, echter naar buiten dat eigen onderzoek had uitgewezen dat de terroristen niet via de zee naar Mumbai waren gekomen. Hoewel de meeste analisten twijfelen aan de juistheid van deze mededeling, heeft Bashir met het tegenspreken van de minister van Binnenlandse Zaken het idee dat de Pakistaanse regering het leger niet onder controle heeft verder versterkt. Voor de Indiase media wijzen deze uitspraken er tevens op dat het Pakistaanse leger samenwerking met islamitische terroristen in ieder geval niet afwijst.
Dit beeld komt ook naar voren in de 11.200 pagina’s lange aanklacht die eind februari door een speciaal aangestelde openbaar aanklager werd ingediend. Hoewel noch het Pakistaanse leger, noch de ISI als organisatie aansprakelijk worden gesteld zijn twee van de 38 in de aanklacht genoemde personen in dienst van het Pakistaanse leger. Beide personen zijn officier (één van hen is buiten dienst) en werkzaam voor de zogenaamde Special Communication Organisation, een facilitair onderdeel van het leger dat vooral actief is in Pakistaans Kashmir. Eén van de beide officieren, kolonel b.d. Sadatullah, die is aangeklaagd voor het faciliteren van telefoongesprekken tussen de terroristen in Mumbai en hun superieuren in Pakistan, heeft publiekelijk laten weten niets met de aanvallen te maken te hebben.

Indiase ontevredenheid
De Indiase regering is nog lang niet tevreden met de Pakistaanse reactie. Pranab Mukherjee, die als doorgewinterde politicus en minister van Buitenlandse Zaken nauw betrokken is bij de bilaterale besprekingen over dit uiterst gevoelige onderwerp, liet recentelijk weten dat hij niet twijfelt aan de integriteit en oprechtheid van de Pakistaanse president Zardari, die heeft beloofd het terrorisme in Pakistan aan te zullen pakken. Mukherjee gaf echter ook aan zijn persoonlijke beoordeling in dezen niet voldoende te vinden en te verwachten dat de mooie woorden van de president zullen resulteren in daadkrachtig optreden van de Pakistaanse regering. Dat daadkrachtig optreden is vooralsnog uitgebleven. De Pakistaanse regering voert een onderzoek uit naar de aanslagen en heeft in verband hiermee enkele mensen opgepakt. De bewering dat de belangrijkste planners en opdrachtgevers achter de tralies zitten wordt in India echter sterk betwijfeld.
De Pakistaanse overheid heeft een bijzonder slechte reputatie op het gebied van terrorismebestrijding en het is zelfs de vraag of de regering voldoende controle heeft over het leger en de ISI, die vaak wordt beschreven als een ‘staat in een staat’, om effectief te kunnen opereren. De recente aanslag op het cricketteam van Sri Lanka in het Pakistaanse Lahore, waarvan ook wordt vermoed dat deze is uitgevoerd door LeT , kan in ieder geval worden gezien als een sterke indicator van de onmacht van de Pakistani om terroristische organisaties onder controle te krijgen.

Hoe nu verder?
Het moge duidelijk zijn dat de aanslagen van 26/11 niet bevorderlijk hebben gewerkt voor de toch al gespannen verhoudingen tussen India en Pakistan. Gelukkig heeft de Indiase regering vrij beheerst gereageerd op de aanslagen en is de houding ten opzichte van Pakistan relatief consistent gebleven. Hoewel de Indiase overheid er vrij zeker van lijkt te zijn dat LeT de aanslagen nooit zonder steun of in ieder geval zonder medeweten van de Pakistaanse overheid en/of de ISI uit zou hebben kunnen voeren, is van een oorlogsstemming nooit echt sprake geweest.
Wel heeft de Indiase regering gedurende de maanden na 26/11 constant getracht de druk op Pakistan zo hoog mogelijk te houden door te blijven refereren aan de mogelijkheid om gerichte luchtaanvallen op Pakistaans grondgebied uit te voeren als de Pakistaanse regering niet hard genoeg optreedt tegen de terroristische elementen in het land. Vooral Mukherjee heeft regelmatig laten weten vooralsnog geen reden te zien om een militair conflict te beginnen, maar geweld tegen Pakistan in het uiterste geval niet uit te sluiten.
Het ziet er dus naar uit dat de gevolgen van de aanslagen voor de bilaterale betrekkingen tussen India en Pakistan redelijk beperkt zullen blijven. Wel hebben de aanslagen van 26/11 en de aanslag op het Sri Lankaanse cricketteam pijnlijk duidelijk gemaakt dat terroristische organisaties in Pakistan een groot gevaar vormen voor de internationale veiligheid. De internationale gemeenschap, die vooralsnog gepreoccupeerd lijkt met het bestrijden van terroristische activiteit in het gebied rond de Pakistaans-Afghaanse grens, zal zich moeten realiseren dat het probleem breder dient te worden aangepakt. Of en in hoeverre dit mogelijk is zal in grote mate afhangen van de bereidheid en capaciteit van de Pakistaanse overheid om in te grijpen.

De aanslagen in Mumbai
Op 26 november werd een aantal gecoördineerde aanslagen uitgevoerd in de Indiase stad Mumbai. Bij deze aanslagen vonden 173 mensen de dood, onder wie 9 terroristen. De aanslagen waren een combinatie van beschietingen, bomaanslagen en gijzelneming. Slechts één terrorist, Ajmal Amir Kasab (in India bekend als ‘Kasab’) werd levend gevangen genomen.
De belangrijkste aanvallen vonden plaats op het treinstation Chhatrapiti Shivaji Terminus (CST), het Joodse complex Nariman House, het bekende café Leopold en de vijfsterrenhotels Taj Mahal Palace & Tower en Oberoi Trident. Pas op 29 november wist een antiterrorisme-eenheid het Taj Mahal Palace te ontzetten en daarmee een einde te maken aan de crisis.