student institute of peace- and security issues
student institute of peace- and security issues
Door Prof. Dr. Hans Bossert en drs. Rob Boudewijn - Het rapport van Ria Oomen-Ruijten van de Commissie Buitenlandse Zaken van het Europees Parlement dat in maart 2009 uit kwam, bekritiseert Turkije niet onverwacht op de gebruikelijke terreinen, met name ten aanzien van het democratiseringsproces en de mensenrechtensituatie. Vrijwel ieder alinea in het conceptrapport start met “het wordt betreurd dat….”.
Spiegeltje, spiegeltje aan de wand: “wie is het mooiste in het land?”
“Xenofobie en (racistisch getint) geweld tegen minderheden, de geringe bescherming en rechten die minderheden nog steeds genieten, het verplicht stellen de taal te leren in plaats van toestaan dat de eigen taal wordt gebruikt, de gebrekkige vrijheid van meningsuiting,
De inhumane omstandigheden in de gevangenissen inclusief martelingen, de verslechterde mensenrechtensituatie in het kader van de strijd tegen het terrorisme, het illegaal en met geweld uitzetten van verdachten (inclusief kinderen), het nog steeds systematisch arresteren van verdachten die zonder enige vorm van rechtsbijstand dagenlang in de cel belanden, het illegaal verhinderen van familiehereniging van minderheden”.
De zorgwekkende lijst met misstanden is immens: op basis hiervan zou Turkije inderdaad niet in de Unie thuishoren, ware het niet dat deze opsomming afkomstig is uit het meest recente World Report van Human Right Watch (14 januari 2009) en de situatie in de Europese Unie beschrijft! Uiteraard is het terecht dat het rapport van het Europees Parlement de vinger aan de pols houdt inzake de mensenrechtensituatie in Turkije, maar die zorgen gelden niet exclusief voor deze kandidaat-lidstaat, maar even zeer binnenshuis: de pot verwijt de ketel anders dat die zwart ziet.
Een economisch perspectief....
Sinds medio jaren negentig probeert de EU steeds nadrukkelijker de grote economische macht te vertalen in een meer politieke rol op het wereldtoneel. De Unie werd opgetuigd met institutionele structuren zoals het Political and Security Committee, het EU Military Committee en meer recentelijk de European Defence Agency, wat er op papier indrukwekkend uitziet, maar in werkelijkheid nauwelijks output leverde. De meest concrete uiting van dit streven naar meer politiek zelfbewustzijn is de Hoge Vertegenwoordiger Mr. Solana, maar verder dan enkele kleine civiele missies in Bosnië, Kongo, Tsjaad en Georgië is de EU, ondanks alle ronkende retoriek, tot op heden niet gekomen. Integendeel: het Europese debacle op de Balkan staat nog vers in het geheugen, gevolgd door de reeks Kosovo, Afghanistan, Irak en meest recentelijk het Europese onvermogen een rol van betekenis te spelen tijdens de Gaza-crisis, terwijl de Verenigde Staten ditmaal ontbaken bij deze brandhaard door het vacuüm van de Presidentswisseling. Het politieke onvermogen gecombineerd met de economische sterkte van de EU, heeft geresulteerd in het gezegde: De VS bombardeert, de EU betaalt (de wederopbouw). Maar was en is de EU vooral niet een economische unie? Van het gehele pakket aan Europese wet- en regelgeving, het acquis, heeft ruim 90% betrekking op het functioneren van de interne markt. Ondanks alle politieke franje van het laatste decennium, is het dan ook geen boude veronderstelling dat dé core-business van de EU nog steeds de economische samenwerking is en hier ligt de link met Turkije.
Los van de democratische en mensenrechtensituatie in Turkije speelt namelijk tegelijkertijd nog een geheel andere, meer politieke discussie. Waar een decennium geleden de discussie rondom het Turkse lidmaatschap nog gedomineerd werd door de vraag of het land aan de (toetredings)criteria zou voldoen, speelt in het nieuwe millennium vooral de vraag of Turkije al dan niet Europees zou zijn. Een non-discussie, die met de toetreding van Grieks-Cyprus, immers een Aziatisch land, reeds begraven had kunnen worden. De werkelijke vraag die gesteld zou moeten worden, zeker in het licht van de huidige mondiale recessie, is wat Turkije Europa economisch kan bieden. De core-business van Europa is en blijft voorlopig uiteraard de economische kracht van de interne markt, die nu op de grondvesten wankelt. Om te overleven is meer nodig dan miljardeninjecties van nationale overheden in de bankensector: de interne markt dient een belangrijke economische impuls te krijgen en hiervoor komt Turkije uitdrukkelijk in beeld. Terwijl Europa aan de ene kant vergrijst, kampt met een afnemende beroepsbevolking, een krappe arbeidsmarkt en stagnerende groeicijfers, ook op het gebied van import en export, toont Turkije aan de andere kant het totaal tegenovergestelde beeld.
Ten eerste is Turkije een stabiele democratische en seculiere staat en vormt het een grote, nog steeds groeiende afzetmarkt, met nu ruim 70 miljoen inwoners en een hoog geboortecijfer. Op dit moment is al bijna de helft van de Turkse import afkomstig uit de EU en het vooruitzicht is dat deze import ondanks de recessie zal blijven stijgen. Tegelijkertijd bedraagt de Turkse export naar de EU bijna 60% van de totale export. Zowel de import- als ook de exportcijfers bleven in 2008 stijgen, en kenden pas aan het einde van dat jaar een lichte terugval door de recessie. De goed opgeleidde, jonge bevolking kan de krappe Europese arbeidsmarkt lucht bieden en de lage loon- en productiekosten maken Turkije tot een interessante investeringsmarkt voor Europese bedrijven. Het potentieel voor buitenlandse investeringen is ook groot vanwege de unieke, geografische ligging, grenzend aan de Balkan, het Midden-Oosten en de Kaukasus, waardoor Turkije als springplank kan fungeren voor handel en investeringen in deze regio’s. Dit wordt door Europese bedrijven onderkend, aangezien in 2007 reeds 66% van de buitenlandse investeringen afkomstig was uit de EU. Terwijl sommige lidstaten van de EU nu officieel in een recessie verkeren, toont de Turkse economie nog positieve cijfers met tot recentelijk zelfs nog een reëel groeipercentage van het BBP van 7%.
In een rapport van de Europese Commissie van 4 november 2008 wordt geconcludeerd dat “ Turkije een functionerende markteconomie” heeft. Dus wat zou een snelle Turkse toetreding nog in de weg kunnen staan: alleen al uit verlicht economisch eigenbelang is er vanuit Europees perspectief geen ander scenario denkbaar.
Het telkens plaatsen van Europese vraagtekens bij het Turks lidmaatschap, resulteert in een afnemend binnenlands draagvlak in Turkije om de gewenste hervormingen door te voeren: in plaats van deze economische kans met beide handen te grijpen, wordt de lijn van pappen en nathouden voortgezet.
Het “ what-if-scenario”
Mocht de huidige politieke halfslachtigheid en het gebrek aan doorzettingsvermogen echter voortgezet worden, dan wordt het “ what-if-scenario” wellicht denkbaar, met als gevolg dat Europa zich uiteindelijk in de eigen voet schiet: Turkije zou zich kunnen gaan richten op Centraal Azië en Rusland, wellicht zelfs op buurland Iran, waarmee Turkije goede betrekkingen heeft. Turkije is uitbundig geprezen voor de rol in het vredesproces in het Midden-Oosten, de verbetering van de betrekkingen met en betrokkenheid bij de Kaukasus, hetgeen gedeelde, Europese belangen zijn. De recente energiecrisis met in de hoofdrollen Rusland en de Oekraïne met de EU als schaduwspits, heeft aangetoond dat Europa voor de energie afhankelijkheid niet alleen moet zorgen voor meer diversificatie, maar vooral ook voor meer aanbod, maar vooral ook transport diversificatie. De Baku-Tbilisi-Ceyhan pijpleiding, geopend in 2005, is hier een eerste voorbeeld en sinds de opening in 2005 wordt olie uit Azerbeidzjan rechtstreeks naar oostelijke mediterrane kust van Turkije gepompt. De voorziene Nabucco pijpleiding van 3400 kilometer zou oost Turkije rechtstreeks met Oostenrijk (en dus de Unie) gaan verbinden. Beide leidingen zijn geopolitiek van belang omdat ze Rusland buitenspel zetten, maar veronderstellen wel een cruciale sleutelrol voor Turkije als doorvoerland. In het scenario dat Turkije de EU de rug gaat toekeren, is een pijpleiding snel dicht gedraaid. Illustratief in dit verband is de opmerking in Brussel van de Turkse premier Recep Tayyip Erdogan (op maandag 19 januari 2009) dat indien er geen voortgang wordt geboekt bij de toetredingsonderhandelingen, Turkije de medewerking aan de Nabucco pijpleiding zou kunnen heroverwegen. In dit scenario verslechtert de importdependentie (nog) verder, nog los van het afschrijven van een miljardeninvestering door met name westerse consortia.
Wat als Turkije zich volledig op Rusland gaat oriënteren, of Iran? Turkije zal dan als belangrijke import- en exportpartner wegvallen, het potentieel van de consumentenmarkt zal niet benut kunnen worden, evenals de arbeidsmarktpotentie en de Europese energiedependentie zal nog hachelijker worden dan die nu al is.
De pragmatische, economische dimensie veronderstelt dan ook uit verlicht Europees eigenbelang dat de deur naar volledig lidmaatschap zo snel mogelijk volledig wordt open gesteld. Een eerste symbolische stap zou er uit kunnen bestaan dat de “open-einde-clausule” van het onderhandelingsproces, waar de Franse President Sarkozy zich een warm voorstander van toont om te garanderen dat de onderhandelingen niet automatisch tot toetreding zal leiden, wordt geschrapt. Dit zou in Turkije tot een groter draagvlak voor het lidmaatschap kunnen leiden met als gevolg dat de hervormingen weer daadkrachtig(er) worden opgepakt. Een economisch sterk en gezond Turkije zou een zegen voor de EU zijn met in het kielzog een functionerende democratische structuur: de mensenrechten zouden zodoende ook beter af zijn, toch ook een Europees belang?
Prof. Dr. Hans Bossert en drs. Rob Boudewijn zijn beiden onder meer verbonden aan het Strategy Center van Nyenrode Business Universiteit