Van 4 tot en met 10 april heeft stichting JASON met negentien studenten een bezoek gebracht aan de Koninklijke Marine in Roemenië. De Koninklijke Marine heeft in Roemenië geoefend met het 'comprehensive approach' concept in gereedstellingfase. De 3D-aanpak (defence, development and diplomacy) is zeer succesvol gebleken tijdens operaties in Irak en Afghanistan.
De drie overheidonderdelen Defensie, Ontwikkelingssamenwerking en Diplomatie hebben echter geheel andere zienswijzen op situaties tijdens de inzetfase. De geïntegreerde aanpak kent hierdoor nog onvolkomenheden. Door ook in de gereedstellingfase met elkaar te opereren, verwachten de drie overheidsonderdelen in het vervolg efficiënter te werken binnen inzetfase.
In Constanta, de tweede stad van Roemenië, is hier voor het eerst mee geoefend door de Koninklijke Marine. De Marine heeft op de eerste plaats geoefend met de Roemeense Marine en tegelijkertijd op het moederschip de Hr. Ms Johan de Witt Congressen en recepties georganiseerd. Op deze congressen en recepties stonden onderwerpen als de ontwikkeling van de haven van Constanta als mainport en het aanhalen van de banden tussen Roemenië en Nederland centraal. JASON heeft gedurende de week deelgenomen aan de activiteiten alsmede een bezoek gebracht aan een militaire oefening van de Marine op de Donau.
Hieronder is een algemeen verslag van Johannes Visser te lezen, gevolgd door verslagen van specifieke activiteiten binnen de studiereis.
Algemeen Verslag
Filmpje: Cooperative Lion 2009
Ideation, een nieuwe taak voor defensie?
Verslag seminar Sp2CMO
Veiligheid op en vanuit zee, nu en in de toekomst
Interview met Kolonel der Mariniers Marco Hekkens
fotoverslag
Filmpje: Bezoek van President Roemenië
Via Istanboel, de Griekse zon en een spuwende vulkaan naar Napels
Op zaterdagochtend 4 april vertrok de delegatie vol enthousiasme richting de Zwarte Zee. Omdat de reis met een commerciële maatschappij op het laatste moment spaak liep, regelde de Marine dat de studenten mee mochten vliegen in een militair transportvliegtuig (KDC-10). Aangekomen in Constanta werden de JASON-nieten samen met de Nederlandse mariniers en overige genodigden naar de haven geëscorteerd. Het verkeer werd stilgelegd en met loeiende sirenes loodsten de politie-Lada’s de studenten door het chaotische verkeer richting de Johan de Witt.
Aan boord van de Johan de Witt kreeg iedereen een hut toegewezen, die verrassend ruim, schoon en modern was ingericht. De Johan de Witt is een zeer geavanceerd amfibisch transportschip oftewel een Landing Platform Dock (LPD) en dient ter ondersteuning van amfibische operaties. Het schip fungeert als een ‘drijvende wal’ wat betekent dat het zonder aan te hoeven leggen in een haven, strijdkrachten en materieel aan land kan zetten. De achterzijde van het schip kan tot vier meter zakken, waardoor het dok volstroomt met water en kleine landingsvaartuigen kunnen uitvaren. Daarnaast kunnen er vanaf het helikopterdek twee helikopters tegelijk landen. Het schip kan een volledig mariniersbataljon van 610 manschappen en materieel vervoeren, en het beschikt aan boord over een breed scala aan bevoorrading, watervoorziening en medische faciliteiten.
Eenmaal aan boord werd het JASON-gezelschap onderworpen aan een strak en vol programma dat de Marine had samengesteld. Uiteraard hoorde hierbij een rondleiding over het schip, evenals een tour in het gezelschap van Roemeense schoolkinderen over de aan de overzijde aangemeerde LPD Hr. Ms. Rotterdam. Op de tweede dag volgde een briefing over het concept Ideation, in dit geval de civiel-militaire samenwerking tussen Nederland en Roemenië. Ook de Nederlandse ambassadeur in Roemenië Jaap Werner kwam langs voor een informele chat. Daarna werden enkele JASON-nieten uitgenodigd om aan te schuiven bij de repetitie voor het congres van 7 april. Het thema van dit congres was de samenwerking tussen Nederlandse en Roemeense militairen, civiele autoriteiten en deskundigen in het geval van een ramp en/of terroristische aanslag. Daarbij hebben twee studenten de bevindingen van het congres gepresenteerd aan het aanwezige publiek. De dag werd afgesloten door minister van Defensie Eimert Middelkoop en zijn Roemeense collega, die condoleances uitwisselden voor de die week gesneuvelde Nederlandse en Roemeense militairen in respectievelijk Afghanistan en Irak.
Op woensdag werden de studenten in de gelegenheid gesteld om persoonlijk te aanschouwen hoe de oefening in het veld had plaatsgevonden. Hier kon worden aanschouwd hoe de acties on the ground worden uitgevoerd door de militairen: de commandopost, de tactische bestrijding van (fictieve) terroristen en de omstandigheden waaronder de mariniers leven. De rondleiding eindigde met een tocht over de Donau in een landingsvaartuig van de marine.
Op 9 april vond het congres plaats van het Nederlandse bedrijfsleven, dat in het kielzog van de marine naar Constanta is gekomen. Constanta heeft een zeer grote haven en kan via de Donau een wijdvertakt achterland bereiken. De haven is in opkomst en heeft de potentie om in de nabije toekomst een grote concurrent van de Rotterdamse haven te worden. Reden voor de BV Nederland om haar aanwezigheid met investeringen te versterken, en zo een relevante speler in Constanta te worden. Het belang van het congres werd onderstreept door de aanwezigheid van de president van Roemenië Basescu, de Nederlandse staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat Tineke Huizinga en de Nederlandse ambassadeur. Het congres was een succes te noemen en de visitekaartjes werden dan ook rap uitgewisseld.
Ondanks het volle schema –de deelnemers aan de reis hebben aan boord ook enige hand en spandiensten geleverd- zijn de studenten er verschillende malen in geslaagd om met de beentjes los te gaan in de vele nachtclubs van Constanta. Het is een stad waaraan te zien is dat het hoogtijdagen heeft gekend, maar waar na decennia van Sovjetoverheersing de verpaupering is ingetreden. De ooit zo statige herenhuizen zien er armoedig en verwaarloosd uit. Op straat struikel je over de zwerfhonden en word je voortdurend aangeklampt door Roma-kindjes met grote bruine ogen. Toch bestaat er, ondanks de armoede wel optimisme onder vooral de jonge Roemenen, dat er goede tijden zullen aanbreken in het land. De aanwezigheid van de Koninklijke Marine, en de toenemende economische activiteit van het Nederlandse bedrijfsleven in Constanta, zal daar mogelijk aan bijdragen.
Ideation, een nieuwe taak voor Defensie? 
Kolonel der mariniers Marco Hekkens en tevens Commander Landing Force vindt dat de marine ook tijdens de stand-by fase nuttig en kosteneffectief gebruik moeten maken van de nationale capaciteiten en middelen die ter beschikking zijn gesteld. Nederland ontwerpt zelf ‘joint’ (krijgsmachtbrede) oefeningen en andere activiteiten in deze aandachtsgebieden of neemt deel aan ‘combined’ (multinationale) oefeningen. “Dit zal er meer dan ooit tevoren toe moeten leiden dat waar we in de toekomst trainen, oefenen en opwerken, een logische bijdrage is van onze nationale doelstellingen met het buitenlandbeleid in het achterhoofd”, concludeert Hekkens.
Hoe werkt Ideation in de praktijk?
Tijdens de gereedheidstelling van een legeronderdeel worden er oefeningen in landen bepaald waarmee zij ervaring op kunnen doen in een soortgelijk gebied als waar een eventuele missie zou kunnen plaatsvinden. In dit geval is gekozen voor Roemenië en Albanië als oefenterrein. Daarna is gekeken op welke manier de aanwezigheid van twee marineschepen in die regio zou kunnen worden gebruikt om zowel politieke als economische belangen te behartigen. Een concreet voorbeeld is de economische conferentie op donderdag 9 april jl.
De haven van Constanta heeft enorme groeipotenties die vergelijkbaar zijn met de haven van Rotterdam in de beginjaren. Zoals Rotterdam nu als mainport geldt voor West-Europa, zo zou Constanta in de toekomst als mainport kunnen dienen voor Oost-Europa. Onder het mom van: “if you can’t beat them, join them” is het van belang dat Rotterdam samenwerkt met de haven van Constanta. Tijdens de aanwezigheid van Hr. Ms. Johan de Witt (die door Damen Scheepswerf is gebouwd in zowel Nederland als Roemenië) heeft er op dat zelfde schip een conferentie plaatsgevonden waar deze samenwerking werd beklonken. Onder andere de Roemeense President Basescu, Staatsecretaris Huizinga en tal van afgevaardigden van het Nederlandse en Roemeense bedrijfsleven waren aanwezig tijdens deze conferentie. Concreet zijn er ook afspraken gemaakt waarbij Roemenië Nederlandse schepen zal kopen.
Politiek belang
Dit project biedt Defensie zelf niet alleen tal van kansen, ook zou het van politiek belang kunnen zijn. In een tijd van een economische crisis en economisch populisme is de bereidheid vanuit de politiek om te investeren in Defensie tot een dieptepunt gedaald. Ondanks dat Defensie gezien wordt als een kerntaak van de overheid, zijn er maar weinig mensen die het nut en de noodzaak inzien van het structureel meer geld uittrekken voor de Nederlandse krijgsmacht. Wanneer projecten als deze verder worden uitgebreid en ook in de toekomst succesvol blijken, draagt dit hopelijk bij aan een politiek klimaat
waar de krijgsmacht gerespecteerd wordt en als “zinvol” wordt bestempeld.
Het is de taak van de politiek om dit soort projecten op te pakken en hiermee de wind uit de zeilen te halen bij populisten als Hero Brinkman en Remi Poppe, die weigeren geld uit te trekken voor een veiliger Nederland en veiligere wereld. Kreten als “Geen straaljagers maar verpleegsters” kunnen met het succes van dit project bestreden worden met: “De Nederlandse Marine zorgt voor extra banen in de haven van Rotterdam.”
Introductie
Dit rapport bevat de belangrijkste bevindingen die de JASON-delegatie tijdens het Support to Consequence Management Operations (Sp2CMO) seminar van 7 april 2009 in Constanta, Roemenië, heeft gedaan. De centrale vraag van het seminar is als volgt vastgesteld: ‘Hoe kan men effectief op bilaterale basis militaire en civiele middelen inzetten op momenten van crisis?’ Bij de beantwoording hiervan zijn een groot aantal onderwerpen aangesneden. Dit rapport behandelt de, volgens de JASON-delegatie, belangrijkste punten die hieruit zijn voortgekomen. Het zal eerst ingaan op negen inhoudelijke punten en vervolgens op een drietal procedurele aspecten van het seminar. De opsomming van de bevindingen is overigens niet in volgorde van belang, maar is een willekeurige ordening.
I. Inhoudelijke bevindingen
1. Nieuwe media
Bij vrijwel elke crisis is er sprake van een gebrek aan informatie. Voor een effectieve reactie is echter een gedetailleerd en uitgebreid beeld van de situatie nodig. Foto’s en videobeelden van getuigen van een incident of ramp kunnen dienen als aanknopingspunten. De nieuwe media in het bijzonder, zoals Twitter, YouTube en blogging, biedt een schat aan mogelijkheden die men vanuit de overheid niet naast zich neer mag leggen. Enerzijds kunnen de nieuwe media helpen in de informatievoorziening, doordat betrokken burgers de laatste ontwikkelingen doorgeven middels mobiele telefonie en internet. Anderzijds kan ook het Ministerie van Defensie deze nieuwe media gebruiken om de buitenwereld te informeren (zie volgende alinea). Hierbij moeten de autoriteiten zich wel bewust blijven van de trade-off die ontstaat tussen het zo spoedig mogelijk ontvangen van nieuws door nieuwe media, versus een nieuwe journalistieke standaard (veelal van mindere kwaliteit en objectiviteit), waarbij feitelijke onjuistheden in de berichtgeving kunnen sluipen.
2. Mediaverslaggeving
Mediaverslaggeving over crises kan verschillende effecten hebben op crisismanagement; het kan de optredende overheid hinderen of juist ondersteunen. Mediamanagement is daarom van essentieel belang in tijden van crisis. Nu het internet in opkomst is als meest up-to-date nieuwsbron voor het publiek, zal ook hierop ingespeeld dienen te worden. Zo kan het Ministerie van Defensie bijvoorbeeld verklaringen op internet plaatsen zodra het nieuws bekend wordt. Andere nieuwsleveranciers zullen de website dan al gauw als gemakkelijke en betrouwbare nieuwsbron gaan gebruiken. Ook kunnen nieuwsbrengers en commentatoren (Twitters, bloggers), die door de crisis in korte tijd een groot publiek hebben bereikt, worden uitgenodigd om -in beperkte mate- deel te nemen aan de officiële verslaggeving en discussies. Door meer transparantie te tonen en alternatieve media naast de traditionele media te erkennen, zullen de autoriteiten beter in staat zijn om de controle te behouden over de berichtgeving en beeldvorming naar buiten toe.
3. Bureaucratische beperkingen
In het huidige Roemeense institutionele raamwerk zijn verschillende instanties verantwoordelijk voor de leiding en coördinatie van het crisismanagement. De aard van de crisis is bepalend voor wie de leiding heeft. Zo is in geval van gewapend geweld het Ministerie van Defensie danwel het Ministerie van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk. In geval van een milieuramp ligt de leiding bij het Ministerie van Milieu. Deze verdeling heeft als gevaar dat kostbare tijd wordt verloren tijdens een crisis wanneer vast moeten worden gesteld wie de leiding heeft. Men heeft immers vaak tijd nodig om de aard en gevolgen van de crisis in het vizier te krijgen. Een overig gevaar kan zijn dat als gevolg van verkokering er strijd ontstaat tussen de betrokken organisaties over hun (rechts)bevoegdheden bij de rampenbestrijding.
Deze problemen kunnen verholpen worden door het instellen van een Nationaal Centraal Crisismanagementorgaan (NCC), dat bij crises in eerste instantie de leiding krijgt toegewezen. Dit onafhankelijke orgaan wordt geleid door veteranen van verschillende departementen die directe verantwoordelijkheid afleggen aan de gekozen volksvertegenwoordiging. De directie wordt ondersteund door specialistische gouvernementele agencies, specialistische teams binnen de krijgsmachtdelen en niet-gouvernementele organisaties. Afhangend van de aard van de crisis en het type specialisme van de teams wordt bepaald wie de lead krijgt bij rampenbestrijding; afhankelijk van de omvang van de crisis kan het crisismanagementorgaan beslissen hoeveel extra hulp het van de desbetreffende departementen nodig heeft.
4. Organisatorische samenwerking
Tijdens bilaterale crisismanagementoperaties kunnen ten minste drie soorten frictie ontstaan tussen de verschillende landen en betrokken instanties. Ten eerste kan men te maken krijgen met frictie tussen het gastland en het land dat hulp biedt. De oorzaak hiervan ligt voornamelijk in de sfeer van culturele en organisatorische verschillen. Ten tweede kunnen civiele en militaire instanties problemen tegenkomen bij het afstemmen van hun activiteiten. Hier is dan vaak sprake van een gebrek aan coördinatie op landelijk niveau. De derde soort frictie kan ontstaan tussen diplomatieke en militaire diensten zodra bepaald moet worden hoe een crisis aangepakt moet worden. Deze instituties hebben elk verschillende doelstellingen en middelen: militaire actoren zijn geneigd proactief te handelen en te denken in praktische termen, terwijl de diplomatieke dienst het gehele politieke plaatje moet bekijken en daarbij de complexiteiten van grensoverschrijdende civiel-militaire operaties in ogenschouw moet nemen. Goede communicatie en wederzijds begrip zullen deze frictie kunnen doen afnemen.
5. Internationale samenwerking
De Status of Forces Agreement en de Rules of Engagement vormen de juridische basis voor militaire samenwerking en grensoverschrijdende operaties. Een gebrek aan kennis omtrent deze overeenkomst kan leiden tot verwarring en overschrijding van juridische bevoegdheden. Het is daarom wenselijk dat beide staten vooraf uitzoeken binnen welke juridische kaders zij opereren om eventuele juridische onzekerheden tijdens een crisis en juridische problemen na een crisis te voorkomen. Binnen multilaterale verbanden is het een complexe aangelegenheid om gezamenlijke, overeenkomstige Rules of Engagement te formuleren, maar bij militaire samenwerking op bilateraal niveau kunnen wel scherpe afspraken gemaakt worden.
Om miscommunicatie te vermijden is het zaak voor de betrokken autoriteiten om overeenstemming te bereiken omtrent sleutelbegrippen. Zo hanteert men in verschillende landen vaak uiteenlopende definities van ‘terrorisme’. De politieke lading van het gebruik van deze term kan resulteren in verschillende reacties, waarbij bijvoorbeeld ook andere instanties bevoegdheden toebedeeld krijgen of zich deze toe-eigenen. Een harmonisering van definities op bilaterale of multilaterale basis biedt hiervoor een oplossing. Wellicht dat de EU en/of de NAVO hiervoor als platform gebruikt kunnen worden.
6. De ambassade als contactpunt
Een fundamentele vraag die bij deelnemers van de Nederlandse Marine leefde was de volgende: “Wie moeten wij benaderen indien wij Roemenië willen helpen in het geval van een crisis?” Met name de onduidelijkheid omtrent de Roemeense commandostructuur gaf aanleiding tot deze vraag. Een antwoord hierop is dat men altijd de eigen diplomatieke dienst kan benaderen met dergelijke vragen. Die beschikt immers al over uitgebreide contacten met de verschillende bestuurlijke lagen van het betreffende land. Daarbij zal de te benaderen diplomatieke dienst direct ook de politieke dimensie van eventuele militaire assistentie kunnen beoordelen.
7. Het belang van civiel-militaire samenwerking
In de op het seminar gesimuleerde crisissituatie is gereageerd met een civiel-militaire benadering. Deze benadering is niet nieuw, maar is nog weinig in de praktijk beoefend. Het seminar heeft wederom het belang aangetoond van dergelijke civiel-militaire operaties en oefening van dergelijke operaties. Het lijkt er vooralsnog op dat voor de betrokken buitenlandse militaire actoren met name op het gebied van expertise en logistieke ondersteuning een belangrijke rol is weggelegd.
8. Het belang van voorbereiding bij crises
Voorbereiding is alles. Landelijke en internationale civiel-militaire oefeningen voorzien partnerlanden van ervaring en kennis over het handelen in tijden van crises. De autoriteiten kunnen het gat tussen theorie en praktijk dichten door de ervaring en kennis die zij door middel van oefeningen opdoen te implementeren in hun draaiboeken. Hiertoe zullen zij hun crisismanagement geregeld moeten evalueren en actualiseren. Alleen dan zullen problemen die zich voor zouden kunnen doen tijdens crisismanagement effectief kunnen worden voorkomen.
9. Het belang om crises te voorkomen
Het spreekt voor zich dat crisispreventie essentieel is voor het beperken van schade. Preventie spaart levens en is kosteffectiever dan crisismanagement. Het elimineren van (mogelijke) dreigingen verdient hierdoor bijzondere aandacht. Nationale en internationale veiligheid- en inlichtingendiensten zouden hun krachten kunnen bundelen om zo hun kennis over verdachte activiteiten te vergroten. Ook op dit gebied is bilaterale en multilaterale samenwerking onmisbaar.
II. Procedurele bevindingen
De beperkingen van de seminarstructuur
Ondanks het feit dat de meerderheid van de deelnemers de discussies en debatten nauwlettend volgde, is het goed mogelijk dat de vorm waarin het seminar was gegoten het niet mogelijk maakte dat elke deelnemer zijn kennis volledig kon delen. De redenen hiervoor zijn enerzijds de tijdsdruk en anderzijds de grootte van de groep. Dit zou verholpen kunnen worden door de seminarstructuur te wijzigen naar een type seminar bestaande uit twee of meer kleinere werkgroepen gericht op specifieke onderwerpen in crisissituaties (zoals commandostructuren en PR). Deze vorm heeft verschillende voordelen. Allereerst zou het betekenen dat deelnemers aan die werkgroep zouden kunnen deelnemen die het beste op hun expertise en ervaring aansluit. Ten tweede zou deze structuur de deelnemers van meer tijd voorzien om ideeën en ervaringen uit te wisselen. In een plenaire eindsessie voor alle deelnemers zouden de belangrijkste bevindingen per werkgroep kunnen worden gepresenteerd.
Het belang van de mogelijkheid om international te netwerken
Binnen het seminar zijn uitgebreide mogelijkheden tot netwerken ontstaan. Door het samenwerken op de verschillende onderwerpen hebben de deelnemers elkaar individueel leren kennen. Het belang hiervan moet niet onderschat worden: “Friends in key positions are crucial; otherwise ideas fail at moments of reality.” Deze notie wordt ook ondersteund door Robert Putnam’s theorie van ‘sociaal kapitaal’, die steunt op het empirische gegeven dat sociale of professionele netwerken waarde toevoegen aan netwerken: 1 plus 1 kan echt 3 zijn. Bovendien kan de opgedane kennis omtrent elkaars culturen en werkwijzen er voor zorgen dat minder interculturele fricties plaatsvinden in toekomstige missies. Dit vergroot de algehele effectiviteit van elke coalitie.
Kwetsbaarheid van het samenwerken op basis van gelijkheid
Tijdens Cooperative Lion ’09 centreerden de intenties van de Nederlanders en de Roemenen zich rond het samen te werken en discussiëren op basis van het principe van strikte gelijkheid. Desalniettemin bestond tijdens het seminar het constant aanwezige risico dat de toon van Nederland zou wijzigen van één van leren in één van doceren. Dergelijke ongepaste en onwenselijke dominantie van de kant van militaire en civiele vertegenwoordigers van het genodigde land zou bij het gastland tot een ernstige afname in het enthousiasme voor bilaterale oefeningen kunnen leiden. Deze valkuil zou vermeden kunnen worden door bilaterale oefeningen te laten plaatsvinden op het “neutrale” territoir van een derde NAVO-bondgenoot wiens betrokkenheid bij de exercities wordt gereduceerd tot een minimum. Hoewel dit de kwalitatieve verschillen in militaire capaciteiten tussen de landen niet wegneemt, wordt de kwestie omtrent de rolverdeling van gastland en genodigd land wel beter omzeild.
Conclusie: hoe nu verder?
De JASON-delegatie heeft voor de Marine verschillende inhoudelijke aanbevelingen geformuleerd:
1. Gebruik de nieuwe media tot uw voordeel. Wanneer u dit doet, zorg dat u de boodschap en het publiek kent, en zorg tevens waar mogelijk dat de betrokken autoriteiten de eerste zijn die het nieuws brengen.
2. Creëer een nationaal en centraal Crisis Commando Centrum dat in geval van een crisis voorziet in directe bevel- en coördinatiestructuren (met name relevant voor het gastland).
3. Wees bewust van het juridische kader waarin wordt geopereerd en bereid dit ook grondig voor: zorg dat een juridisch adviseur ten alle tijde betrokken is.
4. Harmoniseer belangrijke definities in bilaterale en/of multilaterale kaders.
5. Werk samen met andere organisaties met een open blik en met organisatorisch en cultureel bewustzijn.
6. Vergeet nooit dat de Nederlandse ambassade een point of contact is.
7. Onderzoek de mogelijkheden van civiel-militaire samenwerking nader, ook met inter-nationale en transnationale NGOs.
8. Voorbereiding is de sleutel voor succesvol crisismanagement. Crisismanagement plannen en draaiboeken moeten regelmatig worden geëvalueerd en geactualiseerd.
9. Preventie is de sleutel voor het vermijden van crises. Het uitwisselen van inlichtingen binnen een bilateraal of multilateraal kader speelt hierbij een belangrijke rol.
Tevens heeft de JASON-delegatie verschillende procedurele aanbevelingen geformuleerd voor mogelijke soortgelijke exercities in de toekomst:
10. Kleinere werkgroepen kunnen effectiever zijn voor het uitwisselen van ideeën en ervaringen dan een grote plenaire sessie. De conclusies van de werkgroepen kunnen uiteindelijk gedeeld worden in een plenaire eindsessie.
11. Gebruik de uitgebreide mogelijkheden tot netwerken tot uw voordeel: wissel visitekaartjes niet alleen aan het einde van de dag uit, maar gedurende de hele dag.
12. Doe uw voordeel met de kennis die omtrent elkaars culturen en werkwijzen is opgedaan.
13. Samenwerking en partnerschappen moeten ten alle tijde plaatsvinden op basis van gelijkheid. Probeer de kwestie ‘gastland versus genodigd land’ te omzeilen.
Veiligheid op en vanuit zee, nu en in de toekomst 
De drie hoofdtaken van de Nederlandse krijgsmacht zijn te onderscheiden in de bescherming van het (bondgenootschappelijk)grondgebied, de bevordering van de internationale rechtsorde en de ondersteuning van civiele autoriteiten, nationaal en internationaal. De specifieke taken van de marine lopen uiteen van het ondersteunen van de kustwacht tot het leiding geven aan internationale maritieme operaties. In het Caraïbisch gebied is bijvoorbeeld permanent een fregat met een helikopter aanwezig om drugsmokkel te controleren, wat gebeurt in samenwerking met de Verenigde Staten in een Combined Joint Task Force. De commandant van de marine in het Caribisch gebied voert het commando hierover en stuurt vanuit die functie ook de Amerikaanse eenheden aan. Ook is bijvoorbeeld het opsporen van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de Noordzee een belangrijke taak van de marine. Dagelijks zijn twee mijnenjagers bezig met het zoeken naar en het gecontroleerd laten ontploffen van explosieven. De kennis die de afgelopen vijftig jaar rond het mijnenjagen is verworven, is dit voorjaar ook gebruikt om de marine van Albanië te ondersteunen. Na de oorlog in de jaren negentig op de Balkan zijn grote voorraden munitie en explosief materiaal gedumpt in de Adriatische zee. De Nederlandse marine heeft de Albanezen geassisteerd bij het opruimen van dit materiaal. Aan deze twee voorbeelden is te zien dat de marine in samenwerking met bondgenoten voortdurend haar expertise uitbreid en deelt, om veiligheid op en vanuit zee nog breder te kunnen garanderen.
Piraterij in de Golf van Aden
Op dit moment is de piraterijkwestie in de Golf van Aden en omstreken een zeer actueel probleem. De noodzaak om hier iets aan te doen, is ook bij de Nederlandse overheid doorgedrongen. Op dit moment levert Nederland een bijdrage aan het stoppen van de piraterij. Het Nederlandse fregat de Hr. Ms. Zeven Provinciën vaart als onderdeel van een NAVO-missie op dit moment in de Golf van Aden. Initieel was het de bedoeling dat de NAVO-missie een bezoek zou brengen samen met oorlogsschepen van enkele andere NAVO-lidstaten aan Singapore en Australië. Onderweg heeft de NAVO besloten om twee maal, twintig dagen bij te dragen aan het beschermen van koopvaardijschepen in de Golf van Aden. Op dit moment is de inzet tegen piraterij tot eind juni verlengt en volgt vanaf juli een operatie van een jaar.
Vanaf 13 december 2008 loopt de eerste maritieme EU-missie. De EU-missie “Atalanta” levert een bijdrage aan de beveiliging van de koopvaardijscheepvaart in de Golf van Aden. Ten oosten van Somalië met schepen en vliegtuigen van onder andere Frankrijk, Duitsland, Spanje, Zweden, Italië, Griekenland, België, Nederland en niet-EU-lid Noorwegen zal de koopvaardijscheepvaart ook beveiligd worden. Naast de EU missie en de NAVO is er ook de USA geleide coalitie “CTF151” en een aantal individuele landen actief (waaronder China, India, Rusland, Maleisië, Iran en Saoudi Arabië). Atalanta zal van 13 augustus tot 13 december vanaf de Hr. Ms. Evertsen geleid worden door commandeur Pieter Bindt. Een van de kerndoelen van de missie is het beveiligen van voedseltransporten van het World Food Program. Ruim 3,5 miljoen mensen in de Hoorn van Afrika zijn afhankelijk van deze voedseltransporten. De Atalanta-missie zal ervoor moeten zorgen dat deze transporten op geen enkele wijze in gevaar komen door piraterij.
“Het aantal schepen en vliegtuigen dat de internationale gemeenschap tot nu toe heeft geleverd voor de beveiliging van koopvaardij- en voedselschepen is te laag om piraterij uit te bannen. Er zijn weliswaar veel kapingen voorkomen sinds de aanwezigheid van maritieme eenheden in de Golf maar het is duidelijk dat het aantal schepen dat gekaapt is niet significant is gedaald.” Bindt maakt daarbij wel de kanttekening dat koopvaardijschepen die de richtlijnen van de EU-missie hebben opgevolgd tot nu toe niet gekaapt zijn. De EU-missie maakt gebruik van een lijst met kwetsbare schepen die door het EU-hoofdkwartier in Northwood, Engeland wordt opgesteld. Schepen kunnen zich melden op een website en moeten daarbij hun lading en de maatregelen die ze hebben genomen tegen piraterij vermelden. Aan de hand van criteria wordt er een kwetsbaarheidscore aan die schepen gegeven. Vervolgens wordt er aangegeven wanneer er konvooien in het meest gevaarlijke gebied van de ene naar de andere kant varen. Bij een groep kwetsbare schepen worden dan één of meer oorlogsschepen ingezet. Verder patrouilleren een aantal oorlogsschepen op een aantal specifieke plekken in het piraterijgevoelige gebied. De commandeur is van mening dat de internationale gemeenschap minstens zestig tot honderd extra eenheden moet leveren als we het gebied goed zouden willen beveiligen. Een eenheid bestaat dan uit een fregat met een helikopter en een mariniersteam aan boord. Er is ook grote behoefte aan vliegtuigen die langdurig een stuk zee kunnen overzien. Op dit moment zijn er zo`n twintig eenheden op ieder moment in het gebied actief. Bovendien ligt de oplossing volgens de commandeur niet op zee; Somalië is een door extreme armoede en geweld geteisterd land dat voor het grootste gedeelte wetteloos en stateloos is. Het land is een broeinest van terrorisme en criminaliteit. Om een duurzame oplossing te creëren moet op het vaste land het gezag worden hersteld en een staat worden gecreëerd die de criminaliteit en het terrorisme aanpakt.
De commandeur vervolgt zijn verhaal en somt nog een aantal missies van de marine op. In de toekomst zullen militaire missies in de inzetfase en gereedstellingsfase steeds meer onderdeel zijn van de 3D(Defence, Diplomacy and Development)-benadering. Deze 3D-benadering, of comprehensive approach, is in Afghanistan succesvol gebleken. Het probleem was daar echter dat departementen zoals Defensie, Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking in de opstartfase nog niet goed konden samenwerken, omdat de verschillende ziens- en werkwijzen te ver uiteen liepen. Door ook in gereedstellingsfase te oefenen met de comprehensive approach zouden de departementen in inzetfase beter met elkaar kunnen samenwerken.
In Constanta, Roemenië is de comprehensive approach in gereedstellingsfase gebruikt. “We kunnen in de periode gereedstelling zodanig gebruik maken van militaire middelen en andere overheidscapaciteiten dat de “opbrengst” voor de “BV Nederland” maximaal is. Het is niet nieuw, wij hebben de comprehensive approach niet uitgevonden. Maar wat we wel propageren is, dat we dit ook vaker in de gereedstellingsfase moeten doen. We hebben in Constanta gezien dat terwijl het schip in de haven lag, mariniers met Roemeense militairen en burgerorganisaties aan het trainen waren op de Donau, en dat er op de Hr. Ms. Johan de Witt congressen en recepties werden gefaciliteerd in nauwe samenwerking met de Nederlandse ambassade in Boekarest, Roemeense departementen en AHOY Rotterdam. Een van de congressen ging over het ontwikkelen van de haven van Constanta tot mainport van Oost-Europa, een seminar ging over rampenbestrijding waarin burger en militaire organisaties nauw samenwerken en bij een andere gelegenheid stond de ontmoeting tussen diplomaten en industrie van beide landen centraal. In Constanta hebben we wel bewezen dat als je zaken mooi in elkaar past, één en één drie kan zijn.”
Urbanisatie van de kuststrook
Commandeur Bindt en de marine menen dat de taak van de marine in de toekomst alleen maar belangrijker zal worden. Doordat het klimaat verandert, zal de zeespiegel stijgen en zullen er vaker natuurrampen plaatsvinden. Ook blijkt uit onderzoek en zien we de laatste decennia dat er over de hele wereld migratie naar supersteden langs de kust ontstaat en dat zal in de toekomst alleen maar toenemen. Bovendien zien we dat parallel aan deze urbanisatie van de kustrook het percentage conflicten in de kustrook toeneemt. Op dit moment zien we dat meer dan de helft van alle conflicten zich afspeelt binnen een gebied van de kust tot 125 kilometer landinwaarts. “ We observeren dat er een urbanisatie van de kuststrook plaatsvindt, steeds meer mensen gaan in steden wonen die zich in een gebied van de kust tot 200 kilometer landinwaarts bevinden. Via de zee kan je je verplaatsen zonder grenzen te overschrijden, totdat je in de territoriale wateren van een land komt. Zodra je in iemands territorium komt, op land danwel op zee, heeft dat politieke gevolgen die niet altijd wenselijk zijn. Negentig procent van de handel, maar ook van de militaire logistiek gaat over zee. Verplaatsing over de vrije zee bied je toegang tot de hele wereld en dus naar plaatsen waar in de toekomst meer mensen zullen wonen. Dan zou je kunnen zeggen dat, als je gevolg geeft aan deze observatie, dit ten koste kan gaan van andere capaciteiten, maar ik wil benadrukken dat de politiek in theorie ook kan beslissen om de marine af te schaffen. Dat zou voor mij niet logisch zijn, want de zee zal als transportweg, als plaats van waaruit je een land kan beïnvloeden, als voedselbron en als energiebron alleen maar belangrijker worden. Dan kun je je nog steeds afvragen of deze ontwikkeling relevant is voor Nederland. Maar in gedachte nemende dat Nederland pretendeert wereldwijd belangen te hebben en afhankelijk is van de handel, moeten we concluderen dat het objectieve belang van de zee zal toenemen. Op dat moment is het aan de Nederlandse politiek om zich af te vragen wat de ‘So what’ daarvan is. En omdat ik een donkerblauw pak aan heb, zou ik zeggen dat we in ieder geval de marine niet tot onderwerp van bezuinigingen moeten maken.”
Commandeur Bindt vindt het ook belangrijk om uiteen te zetten dat het altijd de doelstelling van de Nederlandse regering is om een ‘gepaste bijdrage’ te leveren aan vredesoperaties. Nederland is van mening dat wij als rijk land de verantwoordelijkheid hebben om te helpen bij humanitaire rampen en bij te dragen aan de bevordering van de wereldvrede. Desalniettemin wordt Nederland nog al eens verweten een te kleine bijdrage te leveren. Dat slaat dan op het defensiebudget van Nederland. De NAVO-norm is dat lidstaten twee procent van hun nationaal product aan Defensie uitgeven. Nederland komt maar net uit boven de één procent, terwijl de Amerikanen meer dan vier procent van hun nationaal product uitgeven aan defensie. Toch wil Commandeur Bindt ten slotte benadrukken dat als we kijken naar het totaalbeeld van alle bijdragen, Nederland zeker zijn steentje bijdraagt. “Het zou onrecht doen aan de inzet van de Krijgsmacht in Afghanistan, de Balkan, het fregat in de Golf van Aden, de aanwezigheid in het Caribische gebied, de explosieven opruiming op de Noordzee, Oostzee en Middellandse zee of de mariniers in Tsjaad als we het tegendeel zouden beweren.”
Commandeur Bindt sluit zijn lezing af en hoopt dat de studenten beter geïnformeerd zijn over wat de marine doet en kan en wat de uitdagingen voor de toekomst zijn. De marine moet daarbij goed kijken naar wat de behoeften uit de samenleving zijn en daarop inspelen.
Interview met Kolonel der Mariniers Marco Hekkens 
Welke valkuilen bent u tegengekomen in de aanloop naar (de organisatie van) de oefening en het seminar, en hoe kunnen deze in de toekomst worden voorkomen?
Ik wil liever niet spreken van valkuilen, maar eerder van uitdagingen. Pas wanneer we niet leren van onze ervaringen zou je kunnen spreken van een valkuil. De belangrijkste component was wat we noemen ‘informatiemanagement’, waarbij alle betrokken mensen de juiste informatie toegestuurd moest worden en tijdig van de relevante informatie voorzien werden. Daaraan verbonden is het zogenoemde moral fitness [alertheid en verantwoordelijkheid] van alle betrokkenen, om ook zelf selectief informatie te zoeken en te anticiperen voor anderen. De Roemeense marine fungeerde tijdens de oefening als de ‘centrale contactpersoon’, en werd dus ook belast met bijvoorbeeld het aanschrijven van de gewenste Roemeense experts voor tijdens het seminar. Dat bleek een hele opgave. Omdat de interne coördinatie in Roemenië tussen alle belanghebbenden feitelijk door een persoon aangestuurd werd, was het voor mij een zaak van ‘goed vertrouwen’ en er voor zorg te dragen dat deze Roemeense collega in ieder geval van mij zorgvuldig op de hoogte werd gehouden van alle ontwikkelingen. Desondanks konden een aantal zakenpas op het laatst geregeld worden. Een tweede uitdaging was het identificeren van de juiste personen voor de juiste positie en rol tijdens het seminar. Deze doelgroep groeide gestaag, maar was vaak moeilijk bereikbaar via email en het duurde vaak lang voor we een duidelijk antwoord kregen. Men wilde ook graag lang van tevoren op de hoogte zijn van het precieze programma, en wie er zou spreken. Omdat een aantal belangrijke deelnemers zich kort van tevoren afmeldden [i.v.m. de verkiezingen] moesten we het programma telkenmale wijzigen. Toen het vermoeden bestond dat ook de Roemeense president het seminar zou bezoeken, probeerden enkelen die eerder hadden afgezegd toch weer deel te nemen. En dan is het moeilijk om dit te weigeren! Afgezien van deze organisatorische obstakels zijn de oefening en het seminar boven de verwachting verlopen. Om een evenement van deze schaal goed te organiseren moet je initiatief blijven nemen, probleemoplossend denken en kunnen improviseren. Je moet ook niet teveel tot in de puntjes willen plannen, want er kunnen altijd zaken op het laatste moment veranderen. Men verstaat dat in de krijgsmacht als in de Commanders Intent blijven denken: je weet wat de baas wil bereiken, en waarom. De uitvoering [de ‘hoe’] geef je uit handen [ownership] aan de mensen die het daadwerkelijk moeten uitvoeren, maar waarbij je wel regelmatig evaluaties en controle uitvoert [back briefing], en waar nodig corrigeert.
Wat zijn in uw ogen de directe, tastbare opbrengsten van de oefening en het seminar op politiek en diplomatiek vlak?
Zichtbaarheid is het sleutelwoord, in de meest brede zin van het woord. Zichtbaarheid voor en van Nederland, voor de marine en specifiek voor NLMARFOR. Dit geldt ook zeer zeker voor Roemenië en haar marine en mariniers. Het seminar en het congres met de Nederlandse en Roemeense militaire en civiele vertegenwoordiging had niet plaatsgevonden zonder de aanwezigheid van de Nederlandse marine in Constanta. Wanneer wij
via niet-militaire kanalen, zoals de Nederlandse ambassade, te horen krijgen dat de oefening voor herhaling vatbaar is, dan is dit een opbrengst. In de komende maanden zullen we verder nadenken over het structureel beleggen van de opbrengsten. In eerdere oefeningen dit voorjaar –waaronder in Spanje, Turkije en Frankrijk- zijn al positieve resultaten gehaald. Er is enorm veel werk gestoken in de organisatie van deze oefeningen, door een relatief klein team. Maar het is aan de defensieleiding en de politiek om te bepalen of dit concept voor herhaling vatbaar is, en de inspanning in geen verhouding staat tot de opbrengsten[voor Defensie en de BV NLD].
Wat zijn volgens u de directe of indirecte economische opbrengsten voor de ‘BV Nederland’ na deze week?
De directe opbrengst is dat er – naar horen zeggen – een aantal schepen zijn verkocht aan Roemenië. Bij het scheepvaartcongres [Naval and Maritime Exhibition] van 9 april hebben het Nederlandse en Roemeense bedrijfsleven elkaar ontmoet en ik heb begrepen dat dit een daverend succes was. Ik denk wel dat de aanwezigheid van de Roemeense president en enkele ministers de doorslag heeft gegeven. Over de indirecte opbrengsten is het nog te vroeg om iets te zeggen. De toekomst zal moeten uitwijzen hoe deze havenstad zich verder ontwikkelt, en in hoeverre de Nederlandse economische activiteiten hierin zullen meegroeien.
Wat zijn de praktische lessen die de Marine heeft geleerd van haar Roemeense collega’s, en welke nieuwe inzichten heeft u persoonlijk opgedaan?
De Nederlandse en Roemeense Marine hebben op de Donau rivier, op de stranden en op zee oefeningen gedaan. Nederland [op uitdrukkelijk verzoek] was hierbij “de leraar” en Roemenië “de student”, overigens zonder dit al te veel naar voren te laten komen. Praktisch gezien is het leerproces voor de Roemenen daarom groter dan andersom. In immateriële zin hebben we een vorm van 'cultural awareness' gecreëerd, waarbij we veel hebben geleerd over de Roemeense cultuur, vooral hoe zij organisatorisch in elkaar zitten. Het Roemeens stafwerk zit in principe uiterst zorgvuldig in elkaar, maar wanneer dingen ineens veranderen kan dit aan waarde verliezen. Ze zetten veel mensen op een taak en kennen een hiërarchische organisatievorm, waardoor je aan flexibiliteit inboet. Men is zonder enige twijfel competent, toegewijd en professioneel, maar alles is nog te gecentraliseerd met een bureaucratische manier van werken.
Ik hoop dat deze oefening met bewust zeer snel wijzigende situaties dit aan de kaak heeft gesteld, zodat – mocht men dit willen – een mate van decentralisatie kan introduceren. Met betrekking tot de politieke situatie van Roemenië hebben we ook lessen opgedaan. In de Noordelijke Donau delta stond ook een deeloefening gepland, maar deze werd op een andere locatie uitgevoerd: uit voorzorg voor een reactie van de media, die de amfibische landingen zou kunnen afschilderen als een bedreigend signaal richting buurland Moldavië.
Wat hebben de Roemenen van de Nederlandse werkwijze kunnen leren?
Ik denk heel veel. Om het kort op te noemen: over planningsmethodieken van hoog naar laag niveau en andersom; over amfibische procedures; over riverine operaties; en over maritieme operaties. Ook over het omgaan met de media, in geval van een natuurramp of gewapende aanval, hebben we de nodige informatie uitgewisseld, wat van onschatbare waarde zal zijn voor de Roemenen. Overig is er wel sprake van een grote mediavrijheid in het land. Een ander voorbeeld is het omgaan van de Roemeense marine met civiele en paramilitaire organisaties. Een hooggeplaatste Roemeense afgevaardigde van een ministerie vertelde me dat ze zeer geroerd was dat het seminar haar collega’s van verschillende ministeries bijeen had gebracht, iets wat in de dagelijkse praktijk vrij ongebruikelijk is. Ik ben blij dat onze aanwezigheid zulke effecten heeft kunnen brengen.
Wat zijn mogelijk verdere stappen in Nederlands-Roemeense militaire samenwerking en militair-civiele samenwerking?
Idealiter is ‘Cooperative Lion’ niet een eenmalige vertoning. Ik kijk er naar uit dat Nederland en Roemenië vaker dit soort activiteiten ondernemen, die budgettair te behappen zijn voor beide landen. Ook kun je aan meer ‘strategische’ samenwerkingsmogelijkheden denken: Nederland heeft amfibische schepen, Roemenië niet. Het is dus het onderzoeken waard of je frequenter met Roemeense mariniers wilt gaan oefenen, zodat deze eenheden, zonder al te grote uitdagingen als het ware in kunnen klikken met onze mariniers. Met dit soort stappen lever je ook hun marine een zeer grote dienst. De vraag is of dit levensvatbaar is, of we op dezelfde golflengte zitten en of de Roemenen gretig genoeg zijn om mee te doen. Het antwoord is ja, de Roemeense top heeft al beaamd hiervoor open te staan: ze willen leren en ze willen relevant worden. Het zou in de nabije toekomst mogelijk moeten zijn om zij aan zij samen te werken, en in een later stadium zelfs geïntegreerd te opereren. Om deze mate van Nederlands-Roemeense interoperabiliteit en ‘procedurele gemeenschappelijkheid’ te kunnen realiseren, zullen laatstgenoemden op tal van gebieden nog wel een forse inhaalslag moeten maken. Mocht een toekomstige Nederlands- Roemeense oefening financieel haalbaar zijn, dan luidt de vraag: hoe gaan we dit gestalte geven? Een Landing Platform Dock (LPD) in de Zwarte Zee? Hoe zal dit programma eruit gaan zien? Welke activiteiten en oefeningen zullen aan bod komen? Gaan we de oefening van Cooperation Lion herhalen, of wellicht kleinschalige oefeningen in kleinere stapjes? Hierover zullen we ons moeten beraden, en mede zicht houden op al onze andere commitments. Hierbij zijn een groot aantal factoren van belang, waaronder het verwachtingspatroon dat de landen van elkaar hebben, maar ook de ontwikkelingen in technologie, militaire doctrines etc.
De commandeur verwelkomt de president van Roemenië 
Via Istanboel, de Griekse zon en een spuwende vulkaan naar Napels 
10 april
Vandaag is het inhoudelijke gedeelte van de reis afgelopen, het grootste gedeelte van de groep gaat terug naar huis, Elsa Schrier vliegt mee met Kolonel Hekkens naar Albanië om daar de oefeningen van het Korps Mariniers te aanschouwen, Roderick Harte stapt van boord om op eigen gelegenheid door Roemenië te reizen en een viertal blijft aan boord van de Hr. Ms. Johan de Witt om mee te varen naar Napels.
De dag begon met een paar woorden van de commandant van het schip, kapitein-ter-zee Ben Bekkering. Bekkering heeft Stichting JASON gevraagd of hij een paar woorden mocht spreken alvorens de deelnemers aan de studiereis het schip zouden verlaten. Volgens de commandant hebben zich een aantal fricties tussen de bemanning van het schip en de studenten voorgedaan omdat de bemanning enerzijds weinig ervaring heeft met ‘burgers aan boord’ en anderzijds, omdat de studenten te weinig zijn betrokken bij het ‘echte marinebedrijf.’ De commandant hecht er veel waarde aan om een aantal misvattingen die over en weer zijn ontstaan weg te nemen. Opdat niemand met ongemakkelijke gevoelens naar huis gaat. Bekkering wil benadrukken dat ondanks de grote inzet van de NLMARFOR en de winst die de marine tijdens de oefeningen in Constanta heeft geboekt, de studenten het echte marinebedrijf niet hebben leren kennen. En dat is jammer, vindt de commandant. De commandant heeft beloofd om voor ons, het viertal dat achter blijft aan boord, een programma op te stellen waarin we bij iedere dienst aan boord een dag meewerken of meelopen.
De rest van de dag zouden wij al bijkomende van de vermoeiende, maar zeer geslaagde week die de NLMARFOR voor ons heeft georganiseerd, ons voorbereiden op de ‘werkweek’ die ons te wachten stond.
11 april
Het is halfzeven ’s ochtends, de bemanning wordt wakker gepraaid om te gaan ontbijten. Het schip is inmiddels op volle zee en het grootste gedeelte van de bemanning zal na een week in Constanta te zijn geweest weer aan het werk moeten. Zo ook wij, omstebeurt zullen wij gedurende vijf dagen meelopen, en waar het kan, meewerken met de verschillende diensten aan boord. Vandaag zal ik beginnen bij de Amfibische dienst.
Allereerst zal ik van Sergeant de Jager een introductieles krijgen in hoe ik een helikopter veilig kan laten landen op het achterdek. Tegelijk met zijn uitleg help ik de sergeant met het neerklappen van de hekken en het schoon spuiten van het dek. Niets wordt aan het toeval overgelaten, al uren voor het landen van een helikopter is De Jager bezig met voorbereidingen. Van het summier plannen van de verschillende fasen in het landingproces tot het checken van de brandstofslang, alles wordt uitvoerig voorbereid. En dan te bedenken dat er ooit een rijke Italiaan is geweest die zijn helikopter onaangekondigd op het dek heeft gezet om een sigaretje te roken. Gelukkig is dat toch goed afgelopen.
Het tweede gedeelte van mijn dag bij de Amfibische dienst zal ik mee gaan met een LCU van het Korps Mariniers die allereerst een amfibische oefening zullen doen met hun Roemeense collega’s en daarna een truck in de haven van Constanta zullen ophalen. Ik was voor het eerst sinds mijn zeeziek ervaring, een jaar eerder in Thailand, weer op volle zee in een bootje van deze omvang. Wonder boven wonder ben ik, ondanks mijn zenuwen, niet ziek geworden. De landing was er een zoals ik gewend was uit computerspelletjes die zich afspelen in het decor van de slag bij Normandië. Alleen was dit er één in het echt en zonder schoten. Een zeer bijzondere ervaring, waar ik met veel plezier aan terug denk.
Na het avontuur op het strand ben ik met een lege LCU mee geweest naar de Haven van Constanta, om daar een truck van de marine op te halen. Tijdens het inladen van de truck zijn de golven op volle zee echter hoger geworden. Daardoor was het voor de LCU, die een platte bodem heeft, onmogelijk om terug te varen naar de Johan de Witt. De Johan de Witt werd opgeroepen om terug de haven in te varen zodat de LCU zich weer bij het gezelschap kon voegen. Dit terugvaren zou echter de rest van de in beslag nemen, omdat de Johan de Witt inmiddels een groot aantal mijlen uit de kust was gevaren. Al vissende en pratende met de mariniers heb ik de rest van de dag doorgebracht, alvorens ik weer aangekomen op het schip in mijn hut in slaap kon vallen.
12 april
Hoewel techniek niet mijn eerste interesse is, was het toch machtig om te zien hoe een dergelijke grote en complexe massa voortbeweegt. Velen termen uit het technische jargon die tijdens de rondleiding door het voortstuwingsgedeelte op me zijn afgevuurd door de matroos, zijn me inmiddels weer ontschoten. Maar globaal kan ik dankzij deze dag vertellen hoe de voortstuwing van een schip werkt. Binnen deze dienst heb ik een wacht meegedraaid op de controlekamer. Daar wordt kort gezegd, alles dat met techniek te maken heeft bedient. Zodra de motoren van het schip meer vermogen moeten draaien, wordt er vanaf de brug de order gegeven en voert de controle kamer dat uit.
Het tweede gedeelte van de dag kon ik tot mijn grote genoegen echt ‘meewerken’. Voor het eerst kon ik laten zien dat ik niet alleen maar een student ben en dat niet alleen militairen, maar ook burgers hard kunnen werken.
De matrozen waarmee ik de wacht liep, hadden de taak om het lenswatersysteem te controleren. Dit systeem waarschuwt op het moment dat het laagje water dat in de romp van het schip staat een te hoog niveau bereikt. Voor de matrozen is het daarbij zaak om tussen alle buizen en leidingen door, vaak in het water, helemaal naar de diepste kelders van het schip te klimmen om daar de apparaatjes van het systeem te testen. Het was de gehele middag een spel wie als eerste zijn of haar lichaam in allerlei kronkels kon buigen om bij het lenswatersysteem te komen.
13 april
13 april was de laatste dag op de Zwarte Zee, alvorens we nog twee dagen in de haven van Constanta zouden liggen om daarna rechtstreeks naar Napels te varen. Op deze dag heb ik meegelopen met de Operationele dienst. In het ochtendprogramma heb ik een wacht meegelopen op de brug. Als climax mocht ik het schip, op aanwijzingen van één van de officieren, tien minuten besturen.
Het tweede gedeelte liep ik mee met een matroos van de Nautische dienst. Daarin heeft hij mij een rondleiding gegeven en mij laten zien waaruit alle werkzaamheden van de Nautische dienst bestonden.
Wat mij opviel is dat iedereen van officier op de brug, tot sergeant bij de amfibische dienst, tot matroos bij de nautische dienst met alle motivatie en zonder laksheid, zijn werkzaamheden uitvoert. Iedereen vertelt zonder tegenzin en met alle lof over zijn werkzaamheden. Allen lijken zich er bijzonder van bewust te zijn dat ze een belangrijke dan wel een cruciale rol vervullen binnen het bedrijf dat de Johan de Witt heet. Ik weet vanuit ervaringen binnen bijbaantjes en mijn (marginale) bedrijfskundige kennis vanuit mijn studie, dat dit in het civiele werkveld niet altijd het geval is.
14 april en 15 april
Op deze dagen lag het schip weer in de haven van Constanta en hebben we onszelf vermaakt.
16 april
Na bijzondere ervaringen met enkele officieren in het uitgaansleven van Constanta keren we met de Johan de Witt op 16 april weer huiswaarts. Tussendoor zal het schip nog een stop maken in Napels en Barcelona. In Napels stappen wij af om op eigen gelegenheid terug te reizen naar Nederland. Na een nacht te hebben gevaren, kwamen we langs de eerste grote bezienswaardigheid: Istanboel. Vanaf het water een schitterende stad, waar ik in de toekomst nog wel eens terug zou willen komen.
Na alle bijzonderheden van Istanboel te hebben bewonderd, zal ik meedraaien met de Wapentechnische dienst. Deze dienst is verantwoordelijk voor het beheer en gereed maken van alle wapen- en satellietsystemen aan boord. Allereerst bestond de dag uit het wachtlopen met een matroos langs alle wapenkamers. Daar heb ik samen met de matroos de temperaturen van de wapenkamers gecontroleerd. Tegelijkertijd kreeg ik uitleg over alle soorten wapens die zich aan boord bevinden. Voorts bestond de wacht uit het testen van de .50’s.
De dag heb ik afgesloten met een gesprek met de hoofden van de Technische dienst en de Wapentechnische dienst. Beide diensten moeten opgaan in één grote dienst. Het probleem is echter dat de bemanningen van de diensten zeer uiteenlopende zienswijzen hebben. Dit staat de integratie van de diensten in de weg. De hoofden van de diensten vroegen zich af of wij als bestuurskundigen, in de korte tijd dat we mee hebben gelopen, op zaken zijn gestuit die de integratie zou kunnen bevorderen. Helaas zijn we niet op punten gekomen die het management van de diensten nog niet waren opgevallen. “Wellicht is dat iets voor een vervolgbezoek van Stichting JASON”, luidde de conclusie van het gesprek.
17 april
17 april is de laatste ‘werkdag’ voor ons alvorens we ons zouden voorbereiden op onze afstap. Vandaag zou ik bij de facilitaire dienst meelopen en meehelpen met de barbecue die vanavond voor de gehele bemanning werd georganiseerd. Het schip is in de namiddag rondjes gaan varen in een gebied in Griekenland waar het zeer lekker weer was, zodat de barbecue geen hinder van regen kon ondervinden. Verder heb ik deze dag nog een rondleiding gekregen door de ziekenboeg van de Johan de Witt.
18 april
Dit was onze laatste dag aan boord. Vandaag zouden we ons gereed maken voor onze afstap op 19 april, hebben we nog een laatste interview met de commandeur opgenomen en waren we getuigen van een actieve vulkaan nabij Sicilië.
19 april
Deze dag waren beleefden we het aanmeren van de Johan de Witt in Napels. Zodra het schip lag aangemeerd, zijn we afgestapt om een paar dagen door Italië te reizen en uiteindelijk via Rome terug te keren naar huis.